Reisverslag Nepal/Tibet 2006

door Ed Sander

(beweeg je muis over de foto's voor bijbehorende tekst)

22 September: Vertrek Amsterdam

23 September: Aankomst Kathmandu

24 September: Kathmandu

25 September: Khokana - Bungmati - Panauti

26 September: Panauti - Dhulikhel

27 September: Dhulikel - Nargarkot

28 September: Nagarkot - Bhaktapur

29 September: Bakhtapur - Kathmandu

30 September: Kathmandu - Lhasa

1 Oktober: Lhasa (Barkhor & Jokhang)

2 Oktober: Lhasa (Drepung & Nechung)

3 Oktober: Lhasa (Norbulingka & Potala)

4 Oktober: Lhasa (Ganden & Sera)

5 Oktober: Lhasa - Yumbalagang - Samye

6 Oktober: Chim-Puk & Samye

7 Oktober: Samye - Gyantse

8 Oktober: Gyantse - Shigatse

9 Oktober: Shigatse - Sakya

10 Oktober: Sakya - Tashi Dzom

11 Oktober: Tashi Dzom - Mt. Everest Basecamp - Nyalam

12 Oktober: Nyalam - Kathmandu

13 Oktober: Patan/Kathmandu

14 Oktober: Kathmandu

15 Oktober: Katmandhu

16 Oktober: Katmandhu - Muscat

17 Oktober: Muscat - Londen - Amsterdam

Epiloog


22 September: Vertrek Amsterdam

Yes, het was zover. Om half acht opgestaan om onszelf klaar te maken voor de reis. Judith ging nog snel even naar de bakker voor wat croissantjes terwijl ik de laatste rommel in huis opruimde. Om negen uur kwamen pap en mam nog even een bakkie koffie drinken en daarna reden we naar Frans en Mieke die ons naar het station in Den Bosch zouden brengen. Door wat oponthoud onderweg kwamen we net op tijd aan op perron drie waar de trein naar Schiphol net binnenreed. Hijgend ploften we neer in onze stoelen, om een uur later een stuk relaxter Schiphol binnen te rijden.

Toen we in de vertrekhal aankwamen werd er achter ons geroepen 'Hey, backpackers !'. Ja hoor, Ad en Mieke waren ook gearriveerd. Ik ken die twee van mijn vorige reis naar Cambodja en toen we eerder dit jaar allebei overwogen om naar Nepal en Tibet te gaan besloten we samen te gaan. Cambodja was immers erg gezellig geweest in 2005.
De vlucht naar London had weinig bijzonderheden, maar bij aankomst op Heathrow bleek waarom men reizigers informeerde dat het ongeveer een uur zou duren om van Terminal 1 naar Terminal 3 te komen. De enorm verscherpte veiligheidsmaatregelen na de verijdelde aanslagen enkele weken eerder zorgden voor een enorme lange rij wachtenden voor Security. Het duurde zeker een half uur tot drie kwartier voor we eindelijk naar de bus konden die ons naar Terminal 3 zou brengen. De meligheid had toen al behoorlijk toegeslagen en we hadden inmiddels kennisgemaakt met enkele andere leden van ons reisgezelschap.

De uren tot boarding van onze vlucht naar Muscat in Oman werden grotendeels doorgebracht in de Ierse pub van Terminal 3 waar we ons tegoed deden aan enkele pints en de trots van de Engelse keuken: curry en Irish Stew ! Na Judith met veel moeite te hebben meegesleurd uit een schoenenwinkel was het rond acht uur tijd voor boarden; de eerste keer dat we zouden vliegen met Gulf Air. Tegen de tijd dat we in onze stoelen zaten hadden we inmiddels kennis gemaakt met de hele groep. En rond negen uur was het time for take-off. Op naar het dak van de wereld ! Toen het vliegtuig steeg en we op het schermpje in de stoel voor ons konden zien op welke hoogte we vlogen begon ik me voor het eerst te beseffen hoe hoog 5000 meter, het hoogste punt dat we tijdens de reis zouden bereiken, eigenlijk wel was !

Schoenen ! Avondeten in de pub op Heathrow

23 September: Aankomst Kathmandu

Gulf Air was niet helemaal wat we er van verwacht hadden. De films die draaiden op het mooie kleine schermpje in de stoel voor je waren niet echt interessant, de beenruimte was beperkt en toen we onze hoop hadden gevestigd op het eten dat we rond middernacht kregen bleek dat we duidelijk te hoge verwachtingen hadden. Het karretje dat de stewardess rondduwde droeg de tekst 'Dinner Dead Head'. We waren bang dat dit inderdaad iets te maken had met het menu, maar achteraf zouden we blij geweest zijn als we inderdaad een dood hoofd te eten hadden gekregen. Dat zou beter geweest zijn dan de zouteloze Arabische rommel die we voorgeschoteld kregen.
Zoals gewoonlijk was nachtrust niet meer dan 'oncomfotabel wegdoezelen'. Ik geloof niet dat ik ooit fatsoenlijk geslapen heb ik een vliegtuig. Toen we wakker werden bleken we het ontbijt gemist te hebben. We vroegen of we het alsnog konden krijgen. Dat kon. Maar opnieuw hadden we ons de moeite kunnen besparen.

Aangekomen in Muscat, Osman stapten we uit het vliegtuig de verzengende hitte in. Het goede nieuws was dat de luchthaven een goede airco had. Het slechte nieuws dat de vlucht 2 uur vertraagd was. We dronken wat capucinno's (smalls die naar achteraf bleek afgerekend werden als large), we keken wat rond in de tax free shop (allemaal behoorlijk interessant geprijsd zolang je het niet kon eten of drinken), we kochten een souvenir (een maf klein knuffelkameeltje van het wisselgeld van de koffie) en uiteindelijk vlogen we rond 12 uur richting Katmandhu. Vreemde bijkomstigheid waren de 'passenger announcements' die steevast begonnen met 'You German !'. Waarschijnlijk betekent dat heel iets anders in Arabisch maar al de meer reden om te maken dat we daar wegkwamen.

De film aan boord van Gulf Air was ditmaal een behoorlijk trieste Bollywood productie. Gelukkig was het eten beter aangezien het ditmaal was afgestemd op de aziatische i.p.v. de arabische bestemming. Op de luchthaven van Katmandhu aangekomen moesten we de nodige formulieren invullen, nog meer wachten in de rij en uiteindelijk heeeel lang wachten op de bagage van Judith. Toen we alles uiteindelijk gevonden hadden was het 6 uur 's avonds, donker buiten en reisleider Rob stond buiten met de rest van de groep te wachten. Jammergenoeg gunde hij ons niet een minuutje om wat geld te pinnen, zodat we ruim een dag zonder roepies zouden rondlopen. Gelukkig was Ad zo sympathiek om de kosten voor ons zo lang op zich te nemen.

De rit in de bus naar het hotel maakte meer dan duidelijk dat ik terug was in Azie; warm, klam, zweterig, armoede maar ook de typische Aziatische chaotische straattaferelen als je naar buiten keek. It's good to be back. Op de een of andere manier voelt dit heel erg als thuis, hoewel het vaak een paar dagen wennen is. In het hotel kregen we onze sleutels en nadat we onze spullen hadden gedumpt op de eenvoudige kamertjes en ons een beetje hadden opgefrist liep een gezelschap van 12 man (2/3e van de groep) Katmandhu in om een plekje te vinden voor een biertje en een hapje. We vonden uiteindelijk een dakterras genaamd 'Les Yeux', verwijzend naar de alomaanwezige Ogen van Buddha op tempels en de rug van een enkele reiziger. Tafeltjes werden aaneen geschoven en binnen no time had het gezelschap de voorraad van het plaatselijke bier (Everest) er doorheen gedraaid.

Het eten was een stuk minder interessant dan het nieuw ontdekte lokale bier. De Chicken Curry die Judith en ik bijvoorbeeld bestelden leek bijzonder veel op de Cambodjaanse variant: rijst met currysaus en een paar botjes met minuscule stukjes kip eraan. Het mocht de pret niet drukken. Het gezelschap leerde elkaar beter kennen door te praten over wat we deden voor de kost (verpakt in een slim raad-maar-raak spelletje), de redenen om deze vakantie te kiezen en wintersport (?!). Het was intussen behoorlijk gaan regenen, maar toen we hadden afgerekend en terugliepen door de donkere straten van Katmandhu naar Hotel Harati werd de nattigheid gelukkig minder. Een deel van de groep deed nog een poging om een andere kroeg te vinden, maar uiteindelijk troffen we elkaar weer in de lobby van het hotel. Daar namen we een laatste Everest en leerde de portier/barkeeper ons hoe je 'dank je wel' in het Nepalees moest zeggen (het was zoiets als 'dan je bad'). Na wat meer gezellig geklets besloten we dat het rond middernacht tijd was voor wat welverdiende slaap. We hadden immers nog wat tegoed van de vorige nacht ... (de grote rat die in de lobby voorbijschoot had daar als het goed is niets mee te maken).

24 September: Kathmandu

De wekker ging. Ik trok de gordijnen open. Shit ... de bui van de vorige dag was nog niet over. Zoals later zou blijken zou deze zelfs de hele dag duren. Knap vervelend als je expres hebt geboekt buiten het regenseizoen. Ach, shit happens.
Na een douche gingen we naar beneden voor de eerste gezamelijke lunch. De kaart was interessant en uiteindelijk maakten we de fout om voor de eerste maal die dag meer te bestellen dan we eigenlijk op zouden kunnen. Tja, om de prijzen hoef je het niet te laten. Een gemiddelde maaltijd kost hier zo'n 5 euro inclusief drank. Reisleider Rob gaf onder het eten nog wat tekst en uitleg; informatie die we op dit punt van de reis eigenlijk helemaal niet nodig hadden.

Na het ontbijt doken we met Ad en Mieke Katmandhu in. Eerst even allemaal een paraplu kopen en daarna een taxi in. Dat zijn overigens allemaal kleine Suzuki's in Katmandhu. Waarschijnlijk omdat die kleine gebakjes zich makkelijk door allerlei kleine gaten in het toeterende verkeer kunnen wringen. Onze eerste stop van die dag was het hindoeïstische tempelcomplex Pashupatinath. In deze belangrijkste Hindu tempel van Nepal wordt een incarnatie van Shiva vereerd. Aan de nabij gelegen Bagmati rivier vinden crematies plaats van de doden, netjes gescheiden in koninklijke familie en rijken/militairen aan de ene zijde en 'het gewone volk' aan de andere zijde. Doden worden hier gecremeerd op kleine platformpjes, waarna de assen in de heilige rivier worden geveegd. De oudste zoon van de overledene (of een priester als er geen oudste zoon is) stopt eerst het vuur in de mond van de overledene en houdt toezicht op de volledige crematie, die altijd dezelfde dag plaatsvind als de dag waarop de persoon in kwestie is gestorven. Een gids vertelde 'vrijwillig' allerlei interessante verhalen over de tempel en de rituelen maar was achteraf schijnbaar niet tevreden over de fooi voor zijn ongevraagde dienst. Zijn 'insight knowledge' was echter erg interessant en een aantal zaken waren een stuk boeiender dan de teksten in de Lonely Planet (zo was de tempel bijvoorbeeld gebouwd op een plek waar vroeger een koe - een heilig dier in Nepal - die nooit gemolken wilde worden, melk offerde aan de grond, waar na een graafpartij een fallus van Shiva verborgen bleek te zijn). We konden een geheel ritueel van een crematie gadeslaan en het was een intrigerend schouwspel, zeker als je alle verklaringen van de rituelen hoorde (die ik jullie hier zal besparen).

Creamties bij Pashupatinath voor het gewone volk ... ... en voor de rijken.
Gebedsmolens draaien bij Bodnath. De stupa van Bodnath. Lekke band !

Na een uur of twee doorgebracht te hebben bij dit tempelcomplex liepen we over een heuvel, via een paar wijkjes met rijstvelden, woningen en winkeltjes naar Bodhnath; de grootste stupa in Nepal en een van de grootste ter wereld. Stel je een enorme halve bol voor die in het midden van een kleine Tibetaanse gemeenschap is neergelegd en waarop een torentje beschilderd met de ogen van Boeddha staat en je krijgt een vrij aardig beeld van Bodnath. Voor we de omgeving gingen verkennen namen we een lunch op het droge gedeelte van het dakterras van een van de aangrenzende restaurantjes. Daar bestelden we opnieuw veel te veel eten; de porties waren gewoon vele malen groter dan we op basis van ervaringen van eerdere reizen en de prijzen verwacht hadden.
Kloksgewijs liepen we na het eten om de enorme stoepa heen, daarbij zoveel mogelijk gebedsmolentjes draaiend. Een leuke voorbereiding op wat ons in Tibet te wachten zou staan. We beklommen een van de hoger gelegen ringen en bezochten een van de gompas waar Tibetaanse monniken hun darma teksten zaten te mompelen. Jammergenoeg hadden we te weinig tijd om rustig rond te kijken in de vele winkeltjes rondom de stupa. Een dag in Katmandhu is veel te weinig om alles op je gemak te kunnen bekijken. Ik zou hier wel een week door kunnen brengen.

De steile trap van Swayambunath. De stupa van Swayambunath. Katmandhu vanaf Swayambunath.

De volgende taxirit bracht ons naar de tweede belangrijke Boeddhistische stupa van Katmandhu; Swayambunath. De rit was echter niet zonder horten en stoten aangezien de chauffeur halverwege een lekke band moest vervangen en zich vervolgens een weg omhoog moest wringen tegen de berg die vanuit het westen uitkeek over de hoofdstad van Nepal. Toen we waren afgezet begon voor ons een enorm lange klim tegen de verdere bergwand op, in de schemering die over de stad viel. Hoewel de stupa erg veel leek op een verie van die bij Bodhnath na een streng weightwatchers dieet was het bezoekje toch zeer de moeite waard dankzij het prachtige uitzicht over de stad en de vele apen die rondrenden in de omgeving. De tempel heet ook niet voor niets de 'Monkey Tempel'. Zonde alleen van het weer; de regen viel nog steeds met bakken uit de hemel. De afdaling over de steile trappen van Swayambunath in het tweeduister riep herinneringen op aan een even huiveringwekkende klim omlaag vanaf een tempel in Cambodja. We kwamen gelukkig weer veilig beneden, waar we een taxi terug naar het hotel namen.

's Avond dronken we nog wat Everest bierjes met enkele reisgenoten, wisselden ervaringen van die dag uit en aten in het Indiaas Third Eye restaurant. Een buitengewoon nette zaak met goed eten. Judith en ik kozen voor een authentiek Newari dinner met allerlei verschillende gerechtjes uit de keuken van deze bevolkingsgroep die de Katmandhu-vallei overheerst. Erg lekker en gevarieerd, maar opnieuw net iets te veel voor onze magen.

De eerste echte dag van de vakantie zat erop. Het weer was bagger, maar dat mocht de pret in ons kleine gezelschap (Ad, Mieke, Ed en Judith) zeker niet drukken. We hadden een hoop mooie dingen gezien en mijn enige teleurstelling was het feit dat we morgen zouden vetrekken uit Katmandhu terwijl er nog zoveel dingen waren die ik graag had willen zien. Wie weet ... misschien kregen we die kans nog aan het eind van de reis, als we terug zouden keren in dit stadje met zijn modderige wegen vol Suzuki's, gepingel met handelaren en vreemdzaam samenlevende (zo niet gecombineerde) Hindu en Boeddhistische cultuur. Laten we het hopen.

25 September: Khokana - Bungmati - Panauti

Na een gezamelijk ontbijt verlieten we Katmandhu om half 10 per bus. Vandaag stonden een aantal bezoekjes aan typische Newari dorpjes op het programma en zouden we uiteindelijk eindigen in Panauti, waar morgen de driedaagse trekking zou beginnen.

Eerst reden we echter zuidwaarts naar de plaatsjes Khokana en Bungmati. De bus werd bij een schattig restaurantje tussen deze twee dorpjes geparkeerd waar we konden genieten van het schitterende uitzicht vanaf een heuvel. Hier was heel goed te zien hoe de Katmandhu vallei werd omringt door prachtige groene bergen waarvan de toppen deels gehuld waren in nevel. Tevens was vanaf dit punt te zien hoe riviertjes zich door felgroene rijstvelden kronkelden.
Na een drankje bracht de bus ons naar de rand van Khokana. De plaatselijke vrouwen waren hier vollop aan het werk. Ze deden buiten op straat de was, versjouwden zware manden die op hun rug hingen en via een band op hun voorhoofd gedragen werden en spinden garen van schapenwol. De Newari mannen met hun typische mutsjes leken vaak een stuk minder actief, maar niet minder nieuwsgierig naar de blanke reuzen die hun dorpje bezochten. Datzelfde gold ook voor de vele kinderen die op straat speelden. Het straatbeeld werd verder gedomineerd door het grote aantal honden en geiten en nog veel meer eenden die overal rondliepen.

Omgeving Bungmati. Straatbeeld Khokana
Wol maken in Khokana. Rato Machhendranath tempel, Bungmati.

De Newari zijn uiterst vakkundige ambachtslui met specialismen in bewerking van hout en metaal. In Khokana was hier al een en ander van te zien maar in het nabij gelegen Bungmati dat we na een korte wandeling langs rijstvelden bereikten werd dit nog duidelijker. Dit plaatsje leek om de een of andere reden een stuk welvarender (voor Nepalse begrippen dan). De woningen waren beter en het grote centrale plein zag er een stuk verzorgder uit dan de straatjes van Kokna. Op dit plein stond de grote Rato Machhendranath tempel waarvan de witte toren vanaf de omringende heuvels goed te zien was boven de daken van de huizen van Bungmati. Op het plein speelden kinderen en waren diverse winkeltjes met houtsnijwerkjes gevestigd, waar je vaak de eigenaars aan het werk kon zien bij het maken van beeldjes of schalen. Eerlijk gezegd waren Judith en ik in eerste instantie echter meer geinteresseerd in een toilet. We hadden al een behoorlijke tijd gelopen en veel water gedronken en konden het niet meer houden. We wisten dat veel Nepalezen vaak gewoon een struikje of afgelegen plekje opzochten om hun plas te doen, maar wat nu precies wel en niet acceptabel was qua wildplassen konden we niet goed beoordelen. Gelukkig vond de gids een oud vrouwtje dat haar toilet wel even beschikbaar wilde stellen. We werden een klein huisje ingeleid waar de grond bestond uit modder en naast een geit ook nog een grommend wezen achter een gordijn aanwezig was. Of dit haar snurkende man was of een boze hond is mij niet helemaal duidelijk geworden; ik had niet het lef om achter het gordijn te kijken. Het toilet was een klein hokje met een 'pot' in franse stijl (dus een gat in de grond) waar we onze behoefte konden doen terwijl de geit nieuwsgierig toekeek en besloot om gezellig mee te doen.

Vanuit Bungmati liepen we terug naar het restaurant op de heuvel waar we een uitstekende lunch kregen bestaanden uit diverse kleine hapjes, rijst, noodles en een aantal Newari gerechten die me bekend voorkwamen van de vorige avond. Allemaal buitengewoon smakelijk.
De volgende twee uur brachten we door in de bus op weg naar Panauti dat ten westen van Bungmati ligt maar een terugreis noordwaarts langs de drukke wegen van Patan en Bhaktapur vereiste. Rond vier uur reed de bus het parkeerterrein van het hele eenvoudige hotel op. De kamers waren weinig meer dan bedjes en een kast maar er was wel een comfortable dakterras. Met de gids bezochten we echter eerst een tweetal Hindu tempels. De eerste, de Khrisna Narayan tempel lag op een punt waar twee rivieren samenkomen en waar tevens crematies plaatsvonden. De andere, Indreshwar Mahadev, lag op een plein en was een grote tempel met de typische drie lagen die je veel in Nepal tegenkomt. Zoals veel andere tempels voor de god Shiva was ook hier een linga (symbool voor de penis van Shiva) in een yoni (symbool voor de vagina van zijn betere wederhelft Parvati) te zien en werd hier regelmatig voedsel geofferd voor vruchtbaarheid van vrouwen die kinderen wilden krijgen.

Indreshwar Mahadev tempel, Panauti. Khrisna Narayan tempel, Panauti. Panauti hotel met dakterras, Panauti.

Het was de hele dag redelijk droog geweest, op een of twee kleine motregenbuitjes na. Nu sloef het weer echter weer om en vanaf een uur of vijf werd de Katmandhuvallei wederom overspoeld door regenwater. Het mocht de pret echter niet drukken. We dwaalden nog wat rond door Panuati waar, net als in de andere twee Newari dorpjes, gelukkig veel minder gebedeld werd en geen opdringerige kooplui rondliepen. De bevolking was wel zo sympathiek om bij het zien van onze nieuwsgierigheid tekst en uitleg te geven bij een kleine bakkerij waar rijstflakes werden geproduceerd.

Terug in het hotel verzamelde ongeveer de helft van de groep zich op het dakterras voor een drankje. De bediening van het hotel zag dit als teken om ons te overspoelen met een grote hoeveelheid pappadam (dunne gekruide pannenkoekjes), frietjes en een soort kroepoek. Toen we uiteindelijk om acht uur een Newari buffet kregen voorgeschoteld (vergelijkbaar met de gerechten die we de vorige avond hadden gegeten) hadden enkelen van ons vreemd genoeg niet echt veel honger meer. We besloten rustig aan te doen en het niet te laat te maken aangezien we de volgende dag om acht uur zouden beginnen aan een lange wandeling naar Dhulikel

26 September: Panauti - Dhulikhel

Shiva was ons goed gezind vandaag. Het was droog en mooi weer met hier en daar een wolk. En dat was maar goed ook want we hadden een flinke wandeling van zo'n 25 kilometer voor de boeg. De dagrugzakken werden gevuld met voldoende water, WC-papier en EHBO-spulletjes en we kregen na het ontbijt een lunchpakketje mee van het hotel. Om kwart over acht verlieten 19 westerlingen en 1 Nepalese gids Panauti oostwaards richting Namobuddha.

Over een wiebelige hangbrug bereikten we de andere kant van de rivier en al snel lieten we het kleine dorpje achter ons om het te verruilen voor een glooiend landschap vol rijstvelden. Onderweg kwamen we nog een crematieprocessie tegen, evenals diverse vrouwen die zware manden op hun ruggen droegen. De weg werd langzaam ruiger en nadat we twee kleine dorpjes (Sunthan en Sankhu) waren gepasseerd begon de klim tegen de heuvel op naar de stupa van Namobuddha. We namen een kwartiertje pauze en konden wat water of frisdrank kopen en kloksgewijs om de stupa heenlopen om de gebedsmolentjes te draaien. Daarna gingen we nog een flink stuk tegen een geimproviseerde 'trap' (lees: gelaagde aarde) in de heuvelwand omhoog om het Tibetaanse klooster bovenop de berg te bereiken. Volkomen afgepeigerd kwamen we aan bij dit prachtige bouwwerk op 1800 meter hoogte. Het was een bedrijvig plekje waar monniken druk bezig waren met wassen en Tibetaanse vrouwen eten kookten. Een van de vrouwen bood ons sympathiek haar zelfgebakken koekjes aan. Dat was een prettige afwisseling na alle kinderen die je om geld, pennen en snoep vroegen en volwassenen die je geld wilden hebben in ruil voor voor allerlei prullaria. Op een grasveldje bij het prachtige klooster konden we op ons gemak de lunchpakketjes met boterhammen, fruit en koude frietjes wegwerken, terwijl de nieuwsgierige honden van het klooster kwamen kijken of er ook iets te halen viel.

Trekking van Panauti naar Namobuddha. Stupa van Namobuddha.
Lunch bij het Tibetaanse klooster van Namobuddha. Trekking van Namobuddha naar Dhulikel.

Jammergenoeg kregen we geen uitleg over het leven in het klooster en vertrokken we na de lunch meteen weer bergafwaarts. We mochten nog een blik werpen in de nieuwe tempelhal in aanbouw, die o.a. beschikte over prachtige Boeddhabeelden en mandala's op het plafond geschilderd. Het was duidelijk dat de Tibetanen het hier een stuk beter voor elkaar hadden dan de gemiddelde Nepalees. Onder de vele gebedsvlaggetjes door die tegen de heuvels omhoog waren geknoopt verlieten we Namobuddha en trokken noordwaarts. Na de uitputtende klim naar het klooster was deze weg omlaag en de vlakke tocht erna een zeer welkome afwisseling. Het duurde echter niet lang voor een nieuwe heuvel opdoemde en via de plaatsjes Phulbari en Kavre beklommen we een tweede heuvel. De wegen waren erg afwisselend; het ene moment liep je op een hard bospad, dan op een stuk asfalt en dan weer op een uit de heuvelwand gesleten trap. Vooral de glibberige roodbruine hellingen die nog vochtig waren van de regen van de voorgaande dagen waren erg verradelijk en meerdere mensen gingen er bijna (of helemaal) onderuit. Over glibberig en bruin gesproken, enkelen van ons mochten ook genieten van de ervaring van poepen langs de lant van de weg.

Uiteindelijk bereikten we over de top van de berg een prachtige nieuw aangelegde stenen trap die omlaag liep naar Dhulikel. De tocht omlaag was echter vrij lastig aangezien niet alle treden even ver uit elkaar lagen. Volkomen afgemat kwamen we aan in het centrum van Dhulikel, waar we tot onze schrik te horen kregen dat we nog een half uur verder moesten lopen; het hotel waar we zouden overnachten lag buiten de bebouwde kom, ten noorden van Dhulikel. Daar aangekomen merkten we bovendien dat ons resort bovenop een heuvel lag met nog eens zo'n tien trappen te gaan.

De klim naar het High View Resort was de moeite echter meer dan waard. We hadden een prachtig uitzicht op de vallei, en boven de wolken in het noorden kon je hier en daar de besneeuwde toppen van de Himalaya zien. We werden door het personeel verwelkomt met een koud handdoekje en een welkomsdrankje. Ook de grote fles Everest die we daarna namen was meer dan verdiend. Ik was volkomen kapot. De verkoudheid die ik had opgelopen in Katmandhu, de slechte nachrust die ik de avond in Panauti had gehad en de zware klimmen tegen de heuvels en moeizame afdalingen hadden me volkomen afgemat. Ook Judith was moe doordat ze had geprobeerd het gemiddelde tempo van de groep bij te houden. De warme douche in het mooie appartementje tegen de heuvel was daarom hemels en terwijl Judith nog wat rotzooide met de bagage deed ik een dutje voordat we zouden gaan eten.

Om zeven uur, toen het buiten al weer erg donker was, liepen we naar het restaurant waar we de rest van de groep aantroffen aan hun eerste drankje. We werden uitgenodigd om aan tafel te komen en na een voorgerecht van 5 verschillende Nepalse snacks (o.a. pappadam, momo en gekruide frietjes) werden er typisch gevormde kookpotjes op tafel geplaatst. In deze 'hotpots' borrelde een heerlijke stew van aardappels, kip en groenten die we met rijst opgediend kregen. Na het eten vertelde de hoteleigenaar nog een grappig verhaal over hoe hij in een pogingen om af te vallen tijdens een beklimming met zijn buik tegen Mount Everest opbotste en niet verder kon. Hij had toen 'Everest Water' meegenomen dat hij voor iedereen inschonk, na eerst enkele schotels voor de goden neer te hebben gezet. Hij vroeg ons wat we in Nederland zeiden bij het in een keer opdrinken van een borreltje, en onder een luid 'Gezondheid!' goten we de sterke drank, die de Nepalese rijstwijn raksi bleek te zijn, naar binnen. Hij stak daarna de schaaltjes drank aan en liet zien hoe we met het vuur in onze handen konden spelen. Erg vermakelijk allemaal. Om 10 uur ging iedereen terug naar zijn huisje voor een heerlijke nachtrust in de luxe kamers.

High View Resort. Eten uit de Tibetaanse hotpot.

27 September: Dhulikel - Nargarkot

Vandaag stond een flinke wandeling van Dhulikel naar Nargarkot op het programma. Omdat deze een drietal beklimmingen van zo'n 300 meter betrof en de tocht daardoor nog zwaarder was dan die van gisteren besloten een aantal reizigers, waaronder Judith en ik, om het eens een dagje rustig aan te doen en te kiezen voor de optie van de bus. Een goed besluit, want niet alleen konden we daardoor wat langer in bed blijven liggen, maar we konden ook een ochtend genieten van het prachtige uitzicht op de vallei, de wolken en de toppen van de Himalaya die er hier en daar bovenuit staken. Het was prachtig weer, lekker warm en Judith haalde onze lunchpakketjes op bij het restaurant en liet een paar potjes koffie brengen, die de lekkerste bleek te zijn die we tot dan toe gehad hadden. Na dit ontbijt kon ik op mijn gemak op het balkon het reisverslag wat verder bijwerken.

Ontbijtje met uitzicht op de Himalaya, Dhulikel. Uitzicht vanaf Nargarkot.

Om twaalf uur vertrokken we met z'n zessen in een busje met alle bagage naar Nargarkot. We passeerden enkele dorpjes en gingen toen steil omhoog tot we uiteindelijk na iets meer dan een uur uitkwamen bij het Viewpoint Hotel. Minder luxueus dan het resort waar we vandaan kwamen maar prima kamertjes en opnieuw een prachtig uitzicht op de omringende vallei en de bergen in het noorden, hoewel ik de besneeuwde toppen van de reuzen van de Himalaya hier niet kon bespeuren. Tegen de avond zouden een aantal daarvan wel weer zichtbaar worden.

We besloten nog even lekker te relaxen in de zon op het terras voor onze kamer. Het bleek echter behoorlijk warm te zijn in de zon, dus zochten we snel de schaduw op. Net toen we van plan waren om af te dalen naar het dorpje van Nargarkot begonnen er wat druppels te vallen. Snel sleepten we de bagage van de groepsleden die op trekking waren onder een afdakje. Toen de druppels veranderden in hagel en daarna een enorme onweersbui, die alle heuvels in de omgeving aan het zicht ontnam, bleek dat afdakje niet voldoende en veranderde onze kamer al snel in een bagageruim van een klein vliegtuig. De trekkers waren nog niet gearriveerd en we hadden behoorlijk met hen te doen. Het water kwam met bakken uit de hemel en de trappen naar de verschillende niveau's van het hotel veranderden in kleine watervallen. Toen de rest van de groep uiteindelijk als verzopen katten kwam binnendruipen (ze waren nog net in de bui terecht gekomen omdat de gids de weg kwijt was !) werd mijn vermoeden al snel bevestigd. Het was een enorm zware tocht geweest met hele steile hellingen over moeilijke paden. Het was een goede beslissing geweest om deze dag te skippen.

Het voorportaal van het restaurant vulde zich een uurtje of twee later langzaam met reizigers. We dronken gezamelijk wat terwijl we ervaringen van die dag uitwisselden en de lucht in het noorden boven de Himalaya zich prachtig roze kleurde. Een soepje dat Judith had genomen viel niet zo goed en ze trok zich met een lichte diarree-aanval terug in onze kamer. Ze miste niet veel aan het eten want dat was voor de zoveelste keer het typische Nepalese dal bhaat tarakari die we al een paar dagen hadden gegeten; rijst, linzensoep, gekruide groenten, pappadam en een curry met stukken bot waar je met moeite een stukje kip aan kon ontdekken. Het is duidelijk dat hotels al snel terugvallen op dergelijke buffets als ze voor grote groepen moeten koken. Of ze denken de gasten een lol te doen met een typische Nepalese schotel zonder te weten dat ze niet de enigen zijn.
Ik bracht Judith wat rijst (dal) en linzensoep (bhaat) en maakte het zelf niet al te laat. Na wat interessante gesprekken over Boeddhisme zocht ik om half 9 ook onze kamer weer op. Met Judith ging het gelukkig al wat beter en rond een uur of 10 ging het licht uit.

28 September: Nagarkot - Bhaktapur

Toen ik 's morgens de deur van onze kamer opendeed bleek de vallei gehuld te zijn in een dikke mist. De omringende heuvels waren niet meer te zien en alles was klam en vochtig. Na het ontbijt begonnen we aan de derde en laatste dag van de trekking. De minst zware, dus Judith en ik besloten gewoon meer mee te lopen.

Vanaf het op 2000 meter gelegen Nargarkot liepen we oostwaards de heuvels af. Het was een erg plezierige tocht die langs boerderijtjes, kleine huisjes en prachtige uitzichten voerde. Op een gegeven moment konden we zelfs de eindbestemming van die dag, Bhaktapur, evenals Katmandhu en de tussenliggende luchthaven, duidelijk zien liggen.
Halverwege de voettocht van die dag stopten we even in het kleine plaatsje Tharkot waar we nieuw water, frisdrank en wat koekjes of chips konden kopen. Daarna stond ons nog een tocht over een heuvel te wachten. Het slingerende pad was echter goed te doen en binnen een half uur hadden we de top bereikt. Vanaf daar was het weer heuvelafwaarts. Onderweg raakte ik aan de praat met een Nepalese jongen. Hij vertelde honderduit over zijn studie en arme familie. Het was een interessant gesprek maar ik kreeg al snel het gevoel dat dit weer zo iemand was die uit was op mijn geld. Ik legde hem daarom uit dat ik nooit geld gaf aan individuele Nepalezen maar liever een goed doel voor Nepal steunde met donaties. Toen hij vervolgens beweerde dat dergelijke goede doelen teveel uitgeven aan het eten van hun personeel zodat er teveel aan de strijkstok blijft hangen begon ik meer nattigheid te voelen. Hij vertelde dat hij weg moest om zijn arme familie te helpen op het land, maar tot mijn grote verbazing liep hij later mee te helpen in de bediening van het restaurant waar we 's middags een hapje aten. Eerlijk gezegd krijg ik enorm de balen van dat soort dingen. Je bent eerlijk tegenover andere mensen en merkt dat ze je gewoon proberen te naaien waar je bij staat. Dit is daarnaast niet de eerste keer dat dit me overkomen is in Azie en verpest soms enorm het plezier wat ik in dit soort landen kan hebben. Ik had het dan ook de rest van de dag helemaal gehad met alle souvenirverkopers, kindjes die je om van alles vroegen en bedelende oude vrouwtjes. Erg jammer, want hierdoor wantrouw ik in principe iedereen die mij aanspreekt, terwijl ik vaak juist graag een gesprek voer met deze mensen.

Trekking van Nagarkot naar Changu Narayan. Vishnu tempel van Changu Narayan.

Voor we naar Bhaktapur vertrokken bezochten we eerst nog het oudste pelgrimsoord van de Katmandhu vallei: Changu Narayan. Dit mooie tempeltje was te bereiken via een straatje dat jammergenoeg helemaal bezaaid was met allerlei souvenirswinkeltjes. Niet echt waar ik op zat te wachten na mijn meest recente ervaring. Gelukkig was de tempel zeer de moeite waard. Opgedragen aan de Hindu god Vishnu was het centrale bouwsel met zijn prachtige beeldhouw- en houtsnijwerk omringd met nog enkele kleinere altaartjes. Veel van deze zaken toonden Vishnu in een aantal van zijn 10 incarnaties. Het godenstelsel van het Hinduisme zit behoorlijk ingewikkeld in elkaar, maar ik begin langzaam de logica in te zien. Jammer dus dat ik niet wat meer tijd hadden om alle details van deze plek te doorgronden.

De laatste vier kilometer naar Bhaktapur legden we af in een plaatselijke bus. Precies wat je ervan zou verwachten; propvol en elke halte werd het voller. Hobbelend trokken we bergafwaarts terwijl rechts van mij een vrouw haar baby de borst gaf (moet een soort milkshake geweest zijn), terwijl voor mij een vrouw stond met een levende kip die zijn kop nieuwsgierig uit haar boodschappentas stak. Verderop in de bus stonden nog een paar Newari met enorme zakken waar waarschijnlijk aardappels in zaten. Die sleepten ze na een aantal haltes moeizaam de bus weer uit om ze verder te dragen op hun ruggen.

Onder het genot/gejammer (doorhalen wat niet van toepassing is) van iets wat waarschijnlijk de Nepalese hitparade was reden we uiteindelijk Bhaktapur binnen. Nou ja ... binnen, we stopten aan de rand van dit derde koningsstadje van Nepal (samen met Katmandhu en Patan). In Bhaktapur zijn namelijk geen auto's toegestaan (hoewel er wel motoren en een verdwaalde tractor rondscheuren). We betaalden de eintree van ongeveer 10 dollar en liepen over het mooie Durbar Square (waarover morgen meer) naar ons hotel. Hier bleek een probleempje te zijn met beschikbaarheid van geboekte kamers, wat uiteindelijk voor Judith en mij positief uitpakte met een upgrade naar een luxe 'penthouse' bovenop het hotel.

Taumadhi Tole. Uitzicht op Bhaktapur vanuit ons penthouse.

Na ons snel te hebben opgefrist bezochten we met Ad en Mieke het plein van Taumadhi Tole, waar twee tempels te vinden waren. De enorme vijflaagse Nyatapola tempel is de grootste van de Katmandhu vallei en had naast enkele grote beelden van dieren aan de entree ook 108 afbeeldingen van verschillende verschijningen van de godin aan wie te tempel was gewijd. De andere tempel, de Bhairabnath tempel, was minder imposant maar vormde een mooie afbakening van een andere zijde van het plein.
Op het plein zelf was een markt aan de gang en na daar even rond te hebben gelopen besloten we even onze e-mail te checken en het reisverslag te uploaden bij een Internetcafe. Daarna gingen we een hapje eten in het Cafe Nyatapola dat was gevestigd in een schattig klein voormalig pagode tempeltje. Het eten was relatief prijzig en dit deel van het plein werd geteisterd door kleine groene vliegjes, maar dit werd gecompenseerd door het mooie uitzicht op het plein en de geluiden van de bedrijvigheid. Buiten waren verschillende parades aan de gang met bandjes die met luid kabaal van bekkens en trommels door de stad trokken. Allemaal onderdeel van het 15-daagse Dasain festival.

Na het eten beklommen we de trappen van de Nyatapola tempel om vanuit de hoogte te zien hoe de laatste handelaren hun spullen pakten en het plein verlieten. Bedrijvigheid stopt erg snel in Nepal; na 10 uur is er weinig meer te beleven, ook niet in de horeca. Vanuit een kleiner pleintje gelegen aan Taumadhi Tole hoorden we echter nog wat muziek. Hier bleek bij de kleinere Til Mahadev Narayan tempel een uitvoering plaats te vinden van een tradionele dans. Een gemaskerde dansgroep van een man of tien, begeleid door een percussiegroepje, toonden het publiek waar het Dasain festival allemaal om draaide; de overwinning van de godin Durga op de kwade buffelgod Mahisasura. Best leuk om eens te zien, zeker als je de achterliggende gedachte begrijpt.

Omdat we de volgende ochtend misschien wilden gaan kijken naar een ander belangrijk Dasain ritueel dat om 7 uur zou plaatsvinden besloten we om na een laatste pilsje nog even te douchen en vroeg naar bed te gaan.

29 September: Bakhtapur - Kathmandu

Half vier schrok ik wakker. Ik weet niet of het kwam door de nieuwe diaree-aanval of door de fanfare die buiten door Bhaktapur begon te trekken. De festiviteiten en rituelen van het Dasain festival waren schijnbaar alweer begonnen. Terug in bed probeerde ik weer in slaap te komen, wat uiteindelijk ondanks de spookachtige muziek buiten op straat toch lukte.

Om zeven uur liepen Judith en ik het hotel uit en buiten de stadspoort van Bhaktapur. Vandaag was het begin van twee dagen waarop vee werd geofferd voor het Dasain festival. We waren echter net te laat. Een paar Newari waren bezig een geofferde waterbuffel te slachten terwijl een ander bezig was met de kop van het beest. Tijdens Dasain worden enorm veel dieren geofferd. Vandaag zouden dat waterbuffels zijn en een dag later niet minder dan 108 geiten. We konden later die dag zien hoe de Newari een waterbuffel de nek doorsloegen met een enorm gekromd zwaard terwijl we aan de andere kant van de stad zagen hoe een priester twee jeeps zegende voor het komende jaar door er twee bokjes voor te offeren. Het bloed van de arme beestjes werd over de wielen en bumpers van de auto's gesprenkeld. Allemaal geen bijzonder smakelijk gezicht maar een reisgenoot die veel slachterijen in Nederland had gezien beweerde dat deze dood voor de dieren heel wat 'humaner' was dan de aanpak in Nederland. De dode dieren werden overigens niet verspild. Bhaktapur was veranderd in een groot slachthuis. Op elke hoek van de straat stond wel iemand in stukken buffelvlees te hakken, darmen op te vullen en schedels schoon te maken.
Overigens worden er geen koeien geofferd aangezien die heilig zijn voor de Hindu's. Daarnaast worden er opvallend genoeg alleen mannetjes geofferd.

Waterbuffel wordt schoongebrand na de offering. Geit wordt geofferd ter zegening van een auto.
Naga Pokhari Borduren op z'n Nepalees

Na een korte wandeling door het westelijke deel van het stadje en een kort ontbijt gingen we met de groep mee op een rondleiding. We hadden een bijzonder goede gids die veel vertelde over Bhaktapur en Dasain en prima engels sprak. Hij nam ons mee naar de vier grote pleinen van Bhaktapur: Durbar Square, Taumadi Tole (zie gisteren), Potter's Square (de naam zegt het al) en het oudste plein Tachupal Tole. Er waren veel bijzondere dingen te zien, zoals de bouwstijl van de stad met z'n typische houtsnijwerk in de ramen, het oude bad van de koning met de slang die uit het water oprijst (Naga Pokhari), de beroemde Golden Gate van het 'paleis met 55 ramen' en teveel verschillende tempels voor diverse goden om hier te beschrijven. Noemenswaardig is overigens wel de Pashupatinath tempel (een kleinere kopie van de tempel bij de crematieplaats die we eerder hadden gezien) met zijn afbeeldingen van diverse ingewikkelde Kama Sutra standjes op de dakstutten. Schijnbaar diende dit tevens als een soort seksuele voorlichting voor de jeugd van Bhaktapur die geen andere vorm van dergelijk onderricht konden verwachten van hun ouders.

Al met al boeiende verhalen en mooie gebouwen. Na deze uitstekende rondleiding hadden we nog een uur of drie de tijd voor onszelf. We bekeken wat handelswaar, kochten een paar pashmina sjaals (gemaakt van de haren van berggeiten), bekeken nog wat dingetjes die we tijdens de tour gemist hadden en spraken uiteindelijk met Ad en Mieke af voor een lunch in een uitstekend restaurant. Daar spraken we nog twee Nederlandse meisjes die vrijwilligerswerk deden in Nepal en bij een gastgezin logeerden en aten een paar lekkere sandwiches en burgers (die Judith in ieder geval twee dagen lang naar knoflook deden ruiken). Toen we zaten te eten sloeg er trouwens een waterbuffel - die schijnbaar niet geofferd wilde worden - op hol op Durbar Square. We zagen uit het raam hoe de menigte buiten die kwamen kijken naar een politieke toespraak het ineens op een lopen zette. Later hoorden we dat het beest een paar toeristen had verwond en een meisje tientallen meters op de horens had meegenomen.

Niet geheel rouwig gingen we daarom om twee uur terug naar Katmandhu met de tourbus. Judith en ik kregen dezelfde kamer op de vierde etage (hijg!) en na onszelf wat opgefrist te hebben gebruikten we laatste uurtjes in Katmandhu om ook hier het beroemde Durbar Square te bezoeken met Ad en Mieke. Elk van de drie koningssteden (Katmandhu, Bhaktapur en Patan) heeft zo'n plein. Durbar betekent 'paleis' en op deze pleinen probeerden de drie koningen elkaar te overtreffen door steeds mooiere en grotere tempels te bouwen.
Eerlijk gezegd vond ik Durbar Square na het zien van Bhaktapur niet meer zo verrassend. Enkele opmerkelijke zaken waren toch de achthoekige Khrishna tempel, de hoge Maju Deval tempel, het paleis zelf dat door zijn Europese stijl nogal misplaatst leek en de Kumari Bahal, de woning van de levende godin Kumari. Kumari Devi is een jong meisje dat in Nepal wordt aanbeden als een incarnatie van Durga. Ze wordt in een ritueel dat wel wat weg heeft van de selectie van een nieuwe Dalai Lama gekozen uit een groep meisjes die aan 32 fysieke eigenschappen moeten voldoen. Hoewel we haar niet hebben gezien vingen we wel een glimp op van een ander prominent persoon ...

Geit wegen voor hij wordt verkocht. Bhaktapur's Golden Gate Nyatapola tempel, Bhaktapur.

We vroegen ons al af waarom er zoveel mensen op de treden van de tempels zaten te wachten en waarom er zoveel politie en militairen op Durbar Square waren. Toen hoorden we dat koning Gyanendra in aantocht was om de Dasain festiviteiten wij te wonen. We namen plaats op een van de tempeltreden en na een klein half uurtje kwam er inderdaad een kleine kolone voorbij met de luxe wagen van de koning in het midden. Dat de man niet bijster geliefd is bleek wel uit het zeer karige applaus dat hij ontving bij het passeren.
De militaite beveiliging nam wel wat van het plezier aan Durbar Square weg dus we besloten noordwaarts te lopen, terug naar Thamel waar de meeste restaurants zich bevonden (en tevens ons hotel). Onderweg kochten we alvast wat gebedsvlaggetjes voor in Tibet en stuitten bij toeval op een grappige kleine stupa die een kopie bleek te zijn van Swayambhunath. Dit bleek Kathesimbhu Stupa te zijn, het meest populaire boeddhistische pelgrimsoord in het oude deel van Kathmandhu. Bij de stupa waren dan ook een tempelhal en mooi kloostertje gevestigd.

Wachten op ... ... de koning.
Kathesimbhu Stupa Vier maal mixed grill Tandoori a.u.b.!

Terug in Thamel lukte het na een aantal pogingen nog om wat te internetten en sloten we met z'n vieren de dag af in het Third Eye restaurant waar we eerder hadden gegeten. Ditmaal geen Newari schotel met Dal Bhaat maar een van de lekkere Tandoori gerechten waarom het restaurant bekend stond.

30 September: Kathmandu - Lhasa

Vroeg uit de veren, zeven uur verzamelen en om half acht in de bus terug naar de luchthaven voor onze vlucht naar Lhasa, Tibet. Van de ene kant jammer dat we Nepal gingen verlaten maar van de andere kant was ik wel heel benieuwd naar Tibet.
Het aantal controles waar we doorheen moesten en het aantal formulieren dat we in moesten vullen voor we uiteindelijk op de luchthaven van Gongkar de warme zon van Tibet instapten was gewoonweg absurd. Ik had gehoopt op de luchthaven nog wat aan het reisverslag te kunnen werken maar we hadden net genoeg tijd voor een broodje (o.a. een baksteen vermomd als chocoladerol)en een kop koffie.
Bijzonder ook hoezeer je je kunt ergeren aan andere reizigers. Aangezien hele groepen naar Lhasa vlogen kwamen er een aantal gezichten voorbij waarvan je dacht 'oh, dat is die gozer/dat mens dat toen dit en dat deed'. Mensen krijgen ook opeens de neiging om te gaan dringen, wat geen enkel nut heeft bij een groepscheck-in. Ook aan boord van het vliegtuig brak halve hysterie uit toen we over de Himalaya en Mount Everest vlogen. Bijna alle passagiers zaten opeens aan de andere zijde van het toestel. Ik probeer dit soort dingen zoveel mogelijk te negeren terwijl ik een poging doe mij te concentreren op de Lonely Planet.

In de comfortabele bus kregen we een traditionele witte welkomssjaal omgehangen en in ongeveer 1,5 uur reden we tussen heuvels en later een enorm lange 'boulevard' naar Lhasa. Onderweg stopten we nog even om een nogal lelijke Boeddha te bekijken die uit de rotswand was gehouwen. Schijnbaar was het een gewoonte om de witte sjerp tegen de rotswand omhoog te gooien. Gezien de trieste pogingen van een aantal mensen besloot ik me die vernedering maar even te besparen.
In Lhasa konden we in het Mandala Hotel, lekker dichtbij de Barkhor (een centraal plein) gelegen, onze spullen uitpakken, snel even een kopje jasmijnthee drinken en vervolgens met de groep op zoek naar een geldautomaat. Na even zoeken hadden we een van de twee internationale automaten in Lhasa gevonden.

Het was voor ons gevoel redelijk snel avond, het was immers 2 uur en 1 kwartier later in Tibet dan in Nepal. Aangezien we echter geen echte lunch hadden gehad konden we wel wat te eten gebruiken. Reisleider Rob had gereserveerd bij Dunya, een prachtige tent met een Nederlander als mede-eigenaar. Je kon er allerlei lekkere dingen eten en Judith en ik besloten te gaan voor Yak gerechten. Ik nam een Yak Sizzler (die in tegenstelling tot die van enkele andere reizigers aan de taaie kant was) en Judith een Yak Stew. Smaakte verder prima en de sfeer was gezellig. Gezien de mogelijke hoogteziekte nam ik niet meer dan een biertje; het plaatselijke Lhasa Beer van 3,5 procent. Na het eten snel nog even wat flessen water kopen en daarna terug naar het hotel.

Hoewel de Chinese bezetting duidelijk zijn stempel heeft gedrukt op Lhasa lijken de marktlui en winkeliers op het eerste gezicht toch deels Tibetaans. De straten zijn schoon, de wegen zijn goed aangelegd en er rijden veel moderne auto's. Ongetwijfeld profiteren de Chinezen het meest van deze welvaart, maar Lhasa doet nu al een stuk schoner, georganiseerder en plezieriger aan dan het chaotische Katmandhu. De komende dagen zouden we doorbrengen op deze boeiende plek op 3600 meter hoogte.

1 Oktober: Lhasa (Barkhor & Jokhang)

Het was prachtig weer in Lhasa. Droog, warm (zolang je 's morgens niet in de schaduw kwam) en met slechts hier en daar een wolkje aan de blauwe lucht. Prima weer om het Tibetaanse gedeelte van de stad eens te gaan verkennen. Dit deel van Lhasa ligt aan de oostelijke zijde en beslaat slechts een zeer klein deel van de totale stad. De rest van de stad is volgebouwd door de Chinezen. Ter illustratie: toen de Chinezen begin jaren '50 Lhasa binnenvielen woonden er zo'n 20.000 tot 30.000 mensen. Momenteel zijn het er 240.000, de meesten Chinezen. Dit heeft een onmiskenbare stempel op de stad gedrukt. Overal hangen schreeuwerige uithangborden en rondom de Barkhor, een centraal plein, hebben zich grote fast food ketens uit China gevestigd.

De Barkhor is naast een plein ook een groot gebied dat Tibet's belangrijkste religieuze bouwsel, de Jokhang, omsluit. De gehele route rondom dit gebied is een belangrijke 'kora', oftewel pelgrimsroute. Grote menigten Tibetanen lopen kloksgewijs de Barkhor af, gebeden mompelend en draaiend met hun gebedsmolentjes. Het grootste deel van de souvenirsverkopers lijkt zich langs dezelfde route te hebben gevestigd, wat resulteert in een surrealistische combinatie van religie en commercie. Natuurlijk wilden wij onszelf de Barkhor kora niet onthouden, dus glipten we op het plein de voortstromende menigte in.
Het plein is overigens in 1985 leeggeruimd door de Chinezen en gerenoveerd in 2000, op een dusdanige wijze dat spiedende camera's goed in de gaten kunnen houden of de Tibetanen niets uitspoken. Want streng toezicht is hier overal; als je de kora loopt kom je om de zoveel meter midden op straat een tafeltje tegen waar streng kijkende Chinezen in uniform de menigte nauw in de gaten houden. Tijdens de 800 meter lange kora passeerden we o.a. diverse grote wierrookbranders (sangkang), een gebouwtje gevuld met brandende kaarsjes van yakboter en metershoge gebedspalen (darchen) ombonden met gebedsvlaggetjes. Een bijzondere belevenis.

Zoals gezegd ligt de Jokhang in het midden van de Barkhor, dus dit was een logisch vervolg van onze verkenning van Lhasa. Voor de hoofdingang van het gebouw - welke gesloten bleek te zijn - waren tientallen Tibetanen bezig zich keer op keer ten aarde te werpen (prostreren) in verering van het bouwsel en zijn inhoud. Via een ingang aan de zijkant konden we na het betalen van ongeveer 7 euro entree uiteindelijk de Jokhang betreden. De benedenverdieping had op open binnenplaats waarachter de ingang naar de dukhang, de verzamelzaal, te vinden was. Hierbinnen bevond zich een open ruimte waar de monniken hun mantra's op konden zeggen te midden van 6 grote beelden van figuren uit the Tibetaanse religie. Rondom deze binnenplaats bevonden zich zo'n 15 kapelletjes, elk gevuld met nog veel meer beelden. Vreemd genoeg waren deze kappelletjes afgesloten met stevig gaas zodat je ze niet kon betreden. Ongetwijfeld een daad van de Chinezen die het heilige gebouw ooit hadden veranderd in een varkensstal (letterlijk!) voor het in 1980 gerestaureerd werd.

We liepen met z'n vieren de Nangkhor Kora, de pelgrimsroute om de centrale hal, draaiend aan alle gebedsmolens. Daarna bezochten we het dak van de Jokhang en vonden daar een prachtig uitzicht op de Barkhor en het Potale paleis in de verte. Ook konden we de gouden versieringen op de daken van de Jokhang beter bekijken en een blik werpen op de buitenzijde van het verblijf van de Dalai Lama's.

Het Barkhor plein en de Jokhang. Het dak van de Jokhang.
Verblijf van de Dalai Lama in de Jokhang. Op het dak van de Jokhang. Yakboter te koop !

Na te hebben geluncht op het dakterras van een restaurant aan de rand van de Barkhor besloten we om een wandelroute uit de Lonely Planet door het oude Tibetaanse deel van de stad te lopen. Dit bleek een plezierig tijdsverdrijf voor de middag te worden. De route leidde ons langs allerlei ambachtslui (kleermakers, tapijtwevers, schilders, pastadraaiers, etc) en handelaren (o.a. verkopers van groeten, fruit, kruiden en natuurlijk grote klompen yakboter), een grote overdekte Tibetaanse markt (Tromsikhang), het moslimkwartier waar twee moskees te vinden waren en de 2000 moslims van Lhasa verblijven maar ook langs een klein nonnenklooster (waar vandaag niet veel te beleven was) en Gyume Trantisch College waar monniken werden opgeleid en bezig waren met een mantra sessie waarbij ze mompelden en met hun gekromde stokken op de omhoog gehouden trommels sloegen. Ook zagen we diverse garageboxachtige ruimten waar stoere Khampa jongeren (het ruige volk dat oorspronkelijk uit het oosten van Tibet) biljard speelden. Door het vele water wat we moesten drinken ter voorkoming van hoogteziekte en de daaruit voortvloeiende constante zoektocht naar een WC leek de wandeling soms meer op een '11 toiletten tocht'.
Toen ik met mijn Lonely Planet in de hand iets te dicht langs een handelaar liep werd ik het slachtoffer van een grappig incident van 'bookjacking'. Bij het zien van de monniken op de voorzijde griste hij het uit mijn hand en begon er heftig in te bladeren. De engelse tekst interesseerde heb natuurlijk niet maar hij wilde van elke foto weten wat het was. Als ik de plaatsen op de foto voorlas herhaalde hij ze enthousiast. Na alle foto's bekeken te hebben gaf hij me dankbaar mijn onmisbare boekje terug.

Tot nu toe hebben we weinig last gehad van de hoogte. De hoofdpijn die ik had verwacht is uitgebleven. waarschijnlijk omdat we zo'n 3 tot 4 liter water per dag drinken. Daardoor hebben we ook inmiddels kennis mogen maken met de 'fantastische' toiletten in Tibet die zo mogelijk nog erger zijn dan die in Nepal. Duizeligheid valt ook mee en het enige lastige is dat je snel moe bent. Een trap oplopen resulteert al snel in een partijtje hijgen, net als te lang in je normale tempo lopen. Het halve Lhasa biertje dat we vandaag dronken viel ook erg zwaar en we zaten binnen no time in te kakken. Na een nieuw bezoekje aan Dunya voor het avondeten besloten we ons daarom om een uur of negen alvast terug te trekken op onze kamer om te douchen en wat te lezen.

2 Oktober: Lhasa (Drepung & Nechung)

De dag begon nogal vervelend. We hadden besloten te gaan eten in het restaurant van het Mandala Hotel. Het was een volle bak en het duurde nogal lang voor we onze bestelling konden opgeven. Die verscheen vevolgens slechts gedeeltelijk op tafel. Na twee of drie keer vragen hadden we nog steeds niet alles gekregen en zaten sommigen van ons zelfs nog met een lege tafel voor zich. Toen Mieke een kijkje ging nemen in de keuken ontdekte ze dat een aantal bestelde zaken helemaal niet op voorraad waren. Hadden we daar een uur (!) op zitten wachten ? Boos verlieten we het hotel om elders ons geluk te beproeven.

Uiteindelijk hadden we na 2 uur een keer ontbeten en waren we hier zoveel tijd mee verloren dat we uiteindelijk een gepland bezoekje aan een van de drie kloosters die ik voor vandaag had geselecteerd moesten overslaan. We verloren geen minuut van onze kostbare tijd en pakten een taxi naar het Drepung Klooster, zo'n acht kilometer buiten het centrum van Lhasa.
Drepung is eigenlijk meer een klein dorp dat tegen een heuvel opgebouwd ligt. Het was ooit een van de grootste kloosters ter wereld met zo'n 2000 Boeddhistische monniken. Nu wonen er nog zo'n 800, waarschijnlijk omdat de Chinezen het maximale aantal monniken per klooster sterk aan banden leggen. Het Ganden Paleis, dat we als eerste bezochten, was ooit de woning van de eerste Dalai Lama's, tot de vijfde Dalai Lama de Potala liet bouwen (meer daarover morgen). Tibetaanse kloosters en paleizen zijn schittende bouwsels met prachtige ornamenten op het dak, mooi gekleurde kozijnen en wapperende gordijntjes boven de ramen die het geheel een dynamische aanblik geven. Zo'n beetje elke hal die je betreedt is gevuld met beelden van Boeddha's, Boddhistava's, beschermingsgoden en voormalige Dalai Lama's.

Naast het Ganden Paleis bezochten we de prachtige hoofdhal waar honderden monniken zich verzameld hadden voor het gezamelijk mompelen van mantras. Een bijzonder schouwspel en bijna hypnotiserend. Hun concentratie werd enkel verbroken door de lunch die werd opgediend, en toen de we hogere gedeelten van de hal bezochten konden we de geur van verse soep ruiken die opsteeg door de ramen van de gebedshal. Een aantal andere gebouwen waren college's waar de monniken les kregen in verschillende disciplines. Uiteindelijk klommen we helemaal tot het bovenste gebouw waar we een ontmoeting hadden met een kudde schapen die een sprintje trokken langs de bosjes, net voor Judith daar een plasje wilde plegen. Kwam ze weer goed weg. ;-)

Ganden paleis, Drepung klooster. Hoofdhal, Drepung klooser.
Tibetaanse frietjes ! Nechung klooster.

Na het imponenerende bezoekje aan Drepung, waar eigenlijk meer te zien was dan in de Jokhang, liepen we langs de heuvel omlaag naar een tweede klooster. Onderweg kwamen we een Tibetaanse frietboer tegen die puntzakjes (!) friet verkocht. Na een inspectie van het frietvet door Ad en Mieke (die zelf een snackbar runnen) namen we allemaal een zakje, welke we oppeuzelden terwijl we afdaalden naar het Nechung Klooster. Dit klooster was ooit de woonplaats van de staatsorakels van Tibet. Als een Dalai Lama een belangrijke beslissing moest nemen raadpleegde hij altijd het orakel, die zich dan in trance had gebracht om in contact te komen met de beschermingsgod Dorje Drakden.
Het klooster bleek een nogal spookachtige plek. De muurschilderingen op de binnenplaats toonden allerlei akelige taferelen als martelingen en doodskoppen. Bij een kapel achterin de hal van het klooster offerden Tibetanen sterke drank aan een beeld van de beschermingsgod die er nogal kwaadaardig uitzag. Op de eerste verdieping was een troon te vinden waar de Dalai Lama's altijd plaats op namen bij het raadplegen van het orakel.

Vanaf Nechung namen we een minibusje gevuld met Tibetanen terug naar Lhasa. We stapten uit in een drukke Chinese winkelstraat nabij de Potala zodat Mieke en Judith even een blik konden werpen in de lokale modewinkeltjes. Hun interesse verdween toen ze ontdekten dat de prijzen niet zoveel lager waren dan thuis. We aten wat in een restaurantje waarna we even teruggingen naar het hotel. Ik voelde me niet zo best en had last van ernstige hoofdpijn. De hoogte en de felle, brandende zon waar we de hele dag in gelopen hadden begonnen schijnbaar toch hun tol te eisen. Na een uur slaap voelde ik me niet veel beter en na een poging een hapje te gaan eten met Ad en Mieke leek het Judith toch verstandiger dat ik terug ging naar bed. Ze haalde nog snel even wat noodles en kip bij een vreemd soort fast food restaurant maar bij aankomst op de kamer bleek dat 'take away' voor Chinezen schijnbaar 'koud en met afvalvlees' betekent. De maaltijd verdween vrijwel onaangeraakt de prullenbak in. Ik kroop in bed met een lichte koorts en uiteindelijk vielen we beiden in slaap rond een uur of 11.

3 Oktober: Lhasa (Norbulingka & Potala)

We sliepen vandaag lang uit en dat was zeker nodig na de hoofdpijn die ik gisteren had gehad. Ik was nog wat duf maar voelde me al stukken beter. Om een uur of 11 verlieten we het hotel en namen eerst een laat ontbijt in het Snowlands restaurant. Uitstekend eten, goede prijzen en een bediening die wonderbaarlijk genoeg een paar woorden Engels sprak.

Vandaag was een beetje een Dalai Lama dag. Judith en ik bezochten eerst de Norbulingka, het zomerverblijf van de Dalai Lama's. Het is een enorm terrein van ongeveer een kilometer lang en een halve kilometer breed en bestaat grotendeels uit een (jammergenoeg) slecht onderhouden park. Wel heerlijk rustig om doorheen te wandelen met z'n tweetjes aan het begin van een nieuwe (mid)dag. We zagen onze eerste ruige Yak door de tralies van het kleine dierentuintje van de Norbulingka, maar omdat de Lonely Planet een bezoekje sterk afraadde liepen we daar snel voorbij.
De Norbulingka werd gebouwd door de zevende Dalai Lama en sindsdien door alle Dalai Lama's gebruikt als zomerverblijf. De winters brachten ze door in de Potala, het paleis dat hoog boven Lhasa uittorent. In de Norbulingka liggen naast een dierentuin o.a. een mooi centraal meer en drie paleizen; het paleis van de 8e, 13e en 14e (huidige) Dalai Lama. De 14e Dalai Lama nam zijn nieuwe zomerpaleis in 1956 in gebruik maar was genoodzaakt om drie jaar later, verkleed als Tibetaans soldaat, het land uit te vluchten naar India. Zijn zomerpaleis staat er nog steeds zo bij als hij het destijds achtergelaten heeft en we konden de verschillende, mooi ingerichte vertrekken bekijken. Sommige kamers hadden prachtige muurschilderingen die de geschiedenis van Tibet weergeven. We raakten zelfs nog even aan de 'praat' met een Tibetaans gezin dat op pelgrimstocht was. Ik liet hem m.b.v. de Lonely Planet zien dat we niet begrepen wat hij zei, waarna we de uitspraak van een aantal standaard dingetjes als hallo, tot ziens en bedankt met hem oefenden. Toen hij ons voor de audientietroon uitlegde hoe je moest prostreren (jezelf vele keren ten aarde werpen) bedankte ik vriendelijk; de klim op de diverse trappen was al uitputtend genoeg op deze hoogte.

Onze eerste Yak ! Zomerpaleis van de Dalai Lama in de Norbulingka.

De andere twee paleizen waren leuk maar minder interessant (en grotendeels gesloten voor het publiek), hoewel het paleis van de 13e Dalai Lama wel een geinige collectie koetsen en draagtronen bevatte. De Tibetaanse opera die plaatsvond in de Norbulingka kon ons niet zo boeien (en niet alleen vanwege het grote volume van de luidsprekers), dus verlieten we het park om op tijd te kunnen zijn voor de afspraak met de rest van de groep.

Bij het Yak Hotel (geen geintje) troffen we de andere groepsleden en vertrokken we naar de Potala. We hadden tickets voor een redelijk laat bezoek (4 uur) en zoals later zou blijken konden we daardoor niet meer het dak van het paleis op. Veel van ons waren daardoor erg teleurgesteld maar ik vond het persoonlijk niet zo heel erg. Neerkijkend van de trappen van het paleis, die we met veel gepuf en gesteun moesten beklimmen, zag ik rondom het gigantische bouwwerk namelijk alleen maar flats, winkels en kantoorpanden die waren gebouwd door de Chinezen. De sfeer die Lhasa moet hebben gehad in de dagen dat de 14e Dalai Lama nog met een verrekijker van het dak van de Potala naar zijn volk keek was nergens meer te bekennen. Een intens deprimerende gedachte. Ook de gedachte dat zoveel Tibetanen de Dalai Lama zo zeer vereerden en hem nog nooit hadden gezien, terwijl ik de beste man een lezing had zien geven in Antwerpen, vlakbij huis, maakte me niet veel vrolijker.

De Potala. De Potala.

Het enorme Potala paleis werd door de 5e Dalai Lama gebouwd, waarna hij en alle volgende Dalai Lama's vanuit het enorme complex over Tibet regeerden in plaats van vanuit Drepung. Sinds de bouw van de Norbulingka werd het echter alleen gebruikt als winterverblijf. Na de vlucht van de 14e Dalai Lama in 1959 stond de Potala decennia lang leeg. Tot de Chinezen in de gaten kregen dat het bouwsel dat ze eerst hadden willen bombarderen een uitstekende bron voor tourisme was. De Potala werd gerenoveerd en omgetoverd tot een Chinees museum. Enkele dagen per week mogen pelgrims de Potala bezoeken, de andere dagen zijn het vooral Chinese burgers dit hun 'staatseigendom' komen bewonderen onder het toeziend oog van Chinese bewakers en spiedende camera's en sensoren.
Het bezoek aan de Potala was eerlijk gezegd nogal een ontgoocheling. De tientallen kapelletjes in het rode paleis waren zeker indrukwekkend, de driedimensionale mandala indrukwekkend en de graftombes van de 7de t/m de 13e Dalai Lama's met hun honderden kilo's goud waren adembenemend. Toch gaf het bovengenoemde misbruik door de Chinezen het geheel een vieze nasmaak. Ook was het teleurstellend dat alleen het bovenste deel van de Potala, het rode paleis, bezocht kon worden. Na een uur stond je onverwacht ineens weer in de buitenlucht terwijl een opzichter ervoor zorgde dat je niet terug naar binnen zou gaan. Ondanks deze teleurstelling gaf het bezoek je in ieder geval een beetje een gevoel van de manier waarop de Dalai Lama's geleefd moeten hebben.

's Avonds keerden we terug naar Snowlands voor een uistekende maaltijd en tegen het achtergrondgeluid van kreunende pelgrims die zich door het straatje langs onze hotelkamer prostrerend een weg richting de Barkhor sleepten vielen we in slaap.

4 Oktober: Lhasa (Ganden & Sera)

Na een snel ontbijtje vertrokken we deze morgen naar het Ganden klooster dat zo'n 40 kilometer buiten Lhasa ligt op niet minder dan 4500 meter hoogte. Dat zou een nieuwe beproeving worden aangezien we tot nu toe zeker niet boven 4000 meter waren geweest. De touringbus slingerde zich langzaam een weg omhoog tegen een enorme bergwand tot het klooster in zicht kwam. Net als Drepung was Ganden een klein dorp, bestaande uit verschillende tempelzalen en bijbehorende gebouwen.
Ganden is het eerste klooster geweest van de Gelugpa orde van Boeddhistische monniken (ook wel 'geelkappen' genoemd). Ooit leefden er 2000 monniken maar na artillerievuur van de Chinezen in 1959 en 1966 werd een groot deel van het klooster vernietigd of beschadigd. Momenteel wordt het nog steeds gerestaureerd.
We hadden eerst anderhalf uur om op ons gemak rond te kijken. Bij het beklimmen van de vele trappen werd al snel duidelijk dat we op grote hoogte zaten. Na elke trap was 1 tot 2 minuten uithijgen absoluut noodzakelijk. We bekeken enkele tempelzalen en de graftombe van de oprichter van het klooster, Tsongkhapa. Zowel de graftombe als het lichaam wat erin opgeborgen lag waren in het verleden door de Chinezen vernietigd. Nu was het hersteld en bevat de enorme stupa nog de resten van zijn schedel.

Ganden klooster. Uitzicht over de Kyichuvallei vanaf Ganden kora.

Eerlijk gezegd vond ik Ganden een klein beetje tegenvallen. De hallen waren wel mooi en de ligging bovenop de heuvel erg bijzonder, maar er was niet zoveel bedrijvigheid als in Drepung. Je moest echt zoeken naar een monnik die iets zinnigs aan het doen was. Even later, toen de groep zich had verzameld zou echter blijken dat het daadwerkelijke hoogtepunt van de dag niet het klooster was maar de kora, de pelgrimstocht om het klooster heen. Bepakt en bezakt met voldoende water en lunchboxen beklommen we de heuvel naast het klooster. Het duurde niet lang voor de de top van de heuvel boven het klooster bereikt hadden. Het bereiken van die top was werkelijk adembenemend (letterlijk en figuurlijk). Voor onze ogen strekte zich de Kyichuvallei uit. Een prachtig gezicht en een van de mooiste uitzichten die ik ooit gezien heb. De riviertjes kronkelden zich onder onze voeten door het landschap en achter de vallei rezen enorme bergen op.
Na enkele minuten genoten te hebben van dit uitzicht gingen we verder met de kora, die boven het klooster over de top van de berg trok. Onderweg zagen we diverse altaartjes, plaatsen waar gebedsvlaggetjes werden opgehangen en uiteindelijk kwamen we bij een plek waar 'sky burials' worden uitgevoerd. Brandhout voor crematies is in Tibet schaars, dus alleen rijken en belangrijke personen worden gecremeerd. Andere mensen worden aan de gieren gevoerd op een dergelijke plek. Het lijk wordt, nadat het een aantal dagen verschillende rituelen heeft ondergaan, in stukken gehakt en achtergelaten.

Na een lunch met prachtig uitzicht op de vallei voltooiden we de kora en keerden we terug naar het klooster. Aangezien we nog voldoende tijd overhadden die middag stelde de reisleider voor om nog snel even het Sera klooster ten noorden van Lhasa te bezoeken. Aangezien we dit klooster een paar dagen eerder hadden moeten missen waren we hier natuurlijk erg blij mee.
Sera is net als Drepung en Ganden een klooster van de Gelugpa orde en bestaat uit een verzameling collegehallen een hoofdhal en diverse andere gebouwen. Wat Sera echter met name interessant maakt zijn de sessies van de debatterende jonge monniken. Elke middag om drie uur verzamelen die zich op een mooie binnenplaats met grote kiezelstenen op de grond. Een deel van de monniken zit op kussentjes terwijl de anderen ervoor staan en hun zittende collega's proberen te overtuigen van hun gelijk. Dit gaat gepaard met een hoop geschreeuw, gestamp en het ineenklappen van de handpalmen. Een bijzonder gezicht, maar ook een typische toeristische attractie. Je kunt je dan ook afvragen hoeveel van dit ritueel nog authentiek is en hoeveel een toneelspel om geld in het laatje te brengen. De toeristen smullen er in ieder geval van.

Luch op de Ganden kora. Debatterende monniken bij het Sera klooster.

Vroeg in de avond kwamen we terug in het hotel waar we alvast onze tassen en dagrugzakken inpakten voor de komende dagen. De volgende morgen zouden we Lhasa immers verlaten en beginnen aan de terugtocht naar Katmandhu van ruim een week, reizend in landcruisers over het plateau van Tibet. We waren eigenlijk van plan om 's avonds nog even naar de een van de disco's te gaan maar het eten duurde jammergenoeg langer dan verwacht. Naar aanleiding van de Tibetaanse Hotpots die we in Nepal hadden gegeten namen we met een groepje van een man of acht in het Potala Restaurant ook een hotpot maaltijd. Die bleek echter vies tegen te vallen en het duurde bovendien erg lang voor e.e.a. klaar was. Daardoor werd het te laat op de avond om nog het nachtleven in te duiken. Na een laatste bakje koffie en even internetten doken we daarom maar ons bed in.

5 Oktober: Lhasa - Yumbalagang - Samye

's Morgens om half negen vertrok een klein convooi van 5 landcruisers uit Lhasa. De bestemming van vandaag was het Samye klooster, ten zuidoosten van Lhasa. Aangezien er echter geen rechtstreekse verbinding met Samye was moesten we een omweg maken. We reden daarom eerst over de Friendship Highway westwaarts Lhasa uit om met een boog langs de luchthaven onder de Yarlung Tsangpo rivier uit te komen. Onze chauffeur heette Pimpa en sprak jammergenoeg geen Engels. Het leek echter een aardige kerel en hij had er duidelijk plezier in dat wij lol beleefden aan zijn CDs met foute housemuziek uit de jaren 90.

Alvorens we met een veerboot de Yarlung Tsangpo over zouden steken bezochten we eerst het alleroudste gebouw van Tibet: de Yumbalagang. Dit vuurtorenachtige bouwsel in de Yarlung vallei is net als zoveel dingen in Tibet omgeven door diverse legenden. Hoewel het gebouw in 1982 is gerestaureerd is de oorspronkelijke fundering waarschijnlijk meer dan 2000 jaar oud. Yumbalagang was de plek van waaruit de eerste koningen van Tibet hun bewind uitvoerden. Hoewel het op de foto een enorm gebouw lijkt is het in werkelijkheid maar een meter of 11 hoog en heeft slechts twee etages, die momenteel zijn ingericht als tempeltje.

Onze landcruisers.. Yambalagang.

Na dit bezoekje hadden we een lunch in de kleine stad Tsetang, een belangrijke stad voor de Chinese overheid en het leger. De maaltijd bestond uit diverse gerechten en smaakte prima. Vanuit Tsetang vertrokken we naar de veerboot over de Yarlung Tsangpo. Na een relaxt boottochtje van ongeveer een uur bracht een bus ons over een zanderige vlakte naar het Samye klooster. Dit klooster heeft de vorm van een gigantische mandala en beeld daarmee de Boeddhistische interpretatie van het universum uit. We zouden overnachten in het guesthouse van het klooster. Een bijzonder eenvoudig gebeuren waarbij we met Mieke en Ad op een kamer sliepen en het gehele guesthouse gezamelijke WC's en douches had.

Boot over de Yarlung Tsangpo. Monniken en Yak in het Samye klooster.

We hadden nog wat tijd voor het avondeten dus liepen we de kora met gebedsmolens rond het binnenplein van de hoofdtempel en de helft van de lange kora om het ronde klooster. Ook keken we alvast een beetje rond. Samye, het allereerste klooster van Tibet, bleek een behoorlijk grote verzameling gebouwen omgeven door een ronde muur waardoor een enorme cirkel ontstaat met een doorsnee van zo'n 300 meter. In tegenstelling tot Ganden en Drepung was het echter niet tegen een bergwand gebouwd. Het zag er allemaal interessant en indrukwekkend uit maar het vele puin en zwerfvuil dat overal lag nam toch wat weg van de glans van Samye.

's Avonds hadden we een gezamelijk diner bij een restaurant net buiten de kloostermuren. Het eten was in principe prima, behalve de kip curry waarbij er weer eens meer bot dan kip was. Het feit dat er slechts 1 gloeilamp was voor de verlichting van het hele restaurant, waardoor er extra kaarsen aangerukt moesten worden om voor voldoende licht te zorgen was hilarisch. We mochten daarnaast nog een kijkje in de keuken nemen en konden zien hoe de kok yak-momo's stond te maken. Omdat we morgen vroeg zouden vertrekken op een verkenning van de omgeving van Samye gingen we op tijd naar bed.

6 Oktober: Chim-Puk & Samye

Potverrrr wat kan het koud zijn in Tibet als de zon nog niet is opgekomen. Na een bezoekje aan het alles behalve welriekende toilet en wat water in ons gezicht te hebben gegooid bij de waterpomp op het binnenplein liepen we gewapend met zaklampen via de noordpoort het klooster uit. We ontbeten bij het restaurant van de voorgaande avond. Het was leuk om te zien hoe de eigenaars met beperkte ingredienten vol liefde probeerden een ontbijt in elkaar te flansen. Het resultaat was een soort ei-pizza, Tibetaans brood (een soort pitabroodjes die gaar gestoomd worden), een banaan en stukjes appel op stokjes. Probeer daar maar eens een belegde boterham mee te maken. Onze gids Pupu at zijn standaard ontbijt van yakboterthee en tsampa, gemalen gerst met - je raad het al - yakboterthee waar dan bolletjes van gekneed worden. Hij was zo aardig om mij te laten proeven van beiden en ik moet zeggen dat het me niet eens tegenviel. Yakboterthee smaakt inderdaad gewoon naar boter in heet water en tsampa naar te dikke bambix.

Wassen bij de waterpomp. Truck naar Chim-Puk.

Na het ontbijt stapten we in een open truck die al voor de helft gevuld was met lokale Tibaten en reden hobbelend weg van Samye. De truck worstelde zich door een dorre vlakte en later tegen een berg op. Tibetanen hebben de grappige gewoonte om spontaan in zingen uit te barsten. Dat lieten we natuurlijk niet op ons zitten en ik moet zeggen dat onze luidkeels gezongen 'ik zag twee yakken samen kakken' insloeg als een bom onder de plaatselijke bevolking (vooral het hi-hi-hi, ha-ha-ha gedeelte). De sfeer in de stuiterende truck compenseerde de temperaturen van iets boven het vriespunt uitstekend.

Uiteindelijk kwamen we aan bij de voet van de Chim-Puk heuvel. Deze heuvel bestond uit een verzameling groten en huisjes waar kluizenaars mediteren. De plek is heilig voor Tibetanen omdat Guru Rinpoche (Padmasambhava), de heilige die in de 8e eeuw de kwade geesten in Tibet overwon en hielp het Boeddhsime in Tibet te vestigen. Hij was ook een van de oprichters van het Samye klooster, waar we momenteel verbleven.
Guru Rinpoche's grot bevond zich bovenaan de heuvel, een klim tot op 4300 meter hoogte en zeker geen makkelijke onderneming. Tijdens onze klimtocht stopten we eerst bij een nonnenklooster waar we de gebedsdienst van de nonnen konden zien. Erg leuk, onder andere omdat dit heel anders klinkt dat de gebedsdiensten van de monniken. Hoger en iets melodieuzer. Het was ook grappig om te zien hoe de dames om de zoveel mintuten uitbarsten in een kakofonie van geluid met hun belletjes, trommels en enorme getoeter.

De tocht naar boven ging verder terwijl we links en rechts werden ingehaald door pelgrims. Een daarvan bleek een vrouwelijke incarnatie van een belangrijke lama te zijn, die bezig was aan een lange pelgrimstocht. De ontmoeting maakte duidelijk een enorme indruk op onze gids Pupu.
We bezochten een aantal grotjes waar een vrouwelijke kluizenaar al 10 jaar en een man al 15 jaar zat te mediteren. Met behulp van Pupu als gids maakte Judith zelfs nog een klein praatje met deze monnik. De tocht ging steeds verder omhoog en de ijle lucht en inspanning zorgden ervoor dat we continu moesten stoppen om naar lucht te happen en water moesten lurken om uitdroging te voorkomen.
Bijna bij de top van de berg, nog boven de nevelige wolken, kwamen we uiteindelijk bij de meditatiegrotten van Guru Rinpoche waar een klein tempeltje omheen gebouwd was. Na eerst even te hebben uitgerust en te hebben genoten van het uitzicht en onze overwinning (een klim van zeker 300 meter) bezochten we de grotten waarbij Pupu uitleg gaf. Judith liet haar Tibetaanse sjaal achter bij een altaartje (waarbij ze bijna de hele tent in de hens zette toen ze het altaartje bijna liet instorten en de sjaal bijna vlam vatte in een yakboterlamp).

Uitzicht vanaf Chim-Puk. Ed op de top van Chim-Puk.

De tocht omlaag ging een stuk sneller en binnen no-time stonden we weer bij het nonnenklooster waar we de lunchpakketjes die we hadden meegekregen van het restaurant konden nuttigen. De tocht terug naar Samye in de hobbelende truck was een stuk minder hilarisch (we waren te moe om te zingen) maar de temperatuur was een stuk beter nu we uit de schaduw van de berg en in de stralende zon kwamen. Terug in Samye beloonden we onszelf op een Lhasa biertje dat we opdronken op het dak van het guesthouse.

We hadden nog niet echt de tijd genomen om het Samye klooster zelf te bezoeken, dus besloten we dat te doen voor we gingen eten. Zoals gezegd is Samye, het eerste klooster van Tibet, gebouwd als een mandala. Het wordt omringt door een ronde muur met daarop 1008 kleine stupa's. In het midden van deze cirkel staat de tempelhal, de Utse, welke de heilige berg Meru symboliseert. De gebouwen daaromheen vertegenwoordigen oceanen, continenten en subcontinenten. Bijzonder in het oog springend zijn de vier (herbouwde) grote stupa's die een vierkant vormen om de Utse. Ze hebben verschillende kleuren (rood, wit, zwart en groen) die allemaal weer een bepaalde Boeddha vertegenwoordigen.
Bij het bezoekje aan de tempelhal kwamen we Pupu tegen die ons van alles vertelde over Samye. Het is een enorm sympathieke en bijzonder enthousiaste kerel. Zo enthousiast dat het soms moeilijk is om jezelf los te rukken van zijn gedetaileerde verhalen.
Hoewel de zoveelste tempelhal was de Utse zeer de moeite waard omdat hij in stijl weer heel anders was dan de andere tempels die we tot dan toe hadden gezien. Ook konden we het dak beklimmen om Samye vanuit de hoogte te bekijken. De monniken van Sammye (beperkt tot zo'n 120 door de Chinese overheid) waren ook een stuk spraakzamer dan in de andere kloosters die we hadden bezocht en het was leuk om hier en daar eens een praatje te maken met de monniken die een beetje Engels spraken. Voor we gingen eten bezochten we nog even de debatterende monniken van het klooster. Vergelijkbaar als in Sera, minder in aantal maar niet minder gedreven.

Tempelhal bam Samye. En het Lhasa Beer vloeide rijkelijk.

Voor het avondeten had Rob, de reisleider, weer iets geregeld bij hetzelfde restaurantje buiten het klooster. Weer een serie verschillende gerechtjes maar iets minder van mijn smaak (de beloofde gefrituurde yak-momo's waren nergens te bekennen). Ik had me voorgenomen om rustig aan te doen gezien de hoogte en vermoeidheid maar naarmate het gezelliger werd werden we toch overgehaald om een paar extra flesjes Lhasa bier open te trekken. Uiteindelijk haalde Rob mij over om de volgende ochtend te gaan helpen met het maken van het ontbijt, aangezien ik het eten vol liefde gemaakt maar niet buitengwwoon bijzonder vond en had overwogen om het ontbijt de volgende dag te skippen. De koks leken alles prima te vinden. De biertjes slaan op 4000 meter duidelijk wat harder aan en knap aangeschoten keerden we uiteindelijk met z'n vieren terug naar onze gezamelijke kamer waar we als een blok in slaap vielen.

7 Oktober: Samye - Gyantse

Aangezien ik me aan mijn belofte van de voorgaande avond wilde houden stonden Judith en ik om tien voor zes (!) op. Toen we ons wilden wassen en tanden wilden poetsen bleek dat ditmaal niet alleen de kraantjes bij het toilet, maar ook de pomp op het binnenplein geen water gaven. Dat was niet echt een goed begin van de dag, zeker niet in combinatie met de lichte hoofdpijn die de Lhasa biertjes van de vorige avond veroorzaakt hadden.

In het restaurant troffen we Rob en de koks en draaiden we samen een maaltijd in elkaar voor twintig man. Scrambled eggs met groenten op Tibetaans brood. Niet het ultieme ontbijt maar het beste wat we konden doen met de beschikbare ingredienten. De eigenaren van het restaurant waren schijnbaar zo blij dat we vier keer waren wezen eten dat ze ons allemaal zo'n witte Tibetaanse welkomssjaal gaven. Waren wie die andere net kwijt ...
Terug bij het klooster moesten we nog even op de bus wachten, waarna we over de hobbelende weg terugreden naar de veerboot. Het was behoorlijk koud zo vroeg op de morgen nu de zon nog niet was opgekomen. Verkleumd staken we de rivier over, maar het uitzicht bij de opkomende zon was prachtig.

Meehelpen met het ontbijt. Zonsopkomst over de Yarlung Tsangpo.

Aan de andere oever stonden de chauffeurs al op ons te wachten en Pimpa schudde ons enthousiast de hand. Eigenlijk zouden we over de zuidelijke Friendship Highway naar Gyantse rijden, maar aangezien die gedeeltelijk opengebroken was moesten we een omweg nemen. We zouden daardoor het uitzicht op het Yamdrok-tso meer missen. Aangezien dat echt een bijzonderheid was besloten de reisleider en de gids om toch even de Kamba-la pas te beklimmen zodat we het meer toch konden zien. Slingerend baanden de vijf landcruisers zich een weg tegen de berg op tot we op 4800 meter, een nieuw hoogtepunt, aankwamen. Vanaf de top van de berg was het prachtige azuurblauwe meer te zien, evenals de achterliggende besneeuwde top van de Noijn Kangtsang berg (bijna 7200 meter hoog). Een adembenemend uitzicht. Wel jammer van al die opdringerige souvernirverkopers en mensen die je met hun hond of yak op de foto wilden zetten.

De Kamba-La pas. Yamdrok-tso en Noijn Kangtsang op de achtergrond.

Na genoten te hebben van het uitzicht keerden we de volledige weg terug de bergpas af. We namen uiteindelijk de noordelijke Friendship Highway westwaarts. De omgeving was prachtig met aan weerszijden hoge grijsgroene heuvels en hier en daar een besneeuwde bergtop. We namen lunch in een klein dorpje langs de Friendship Highway waar de huiskamer van het gezin spontaan werd omgebouwd tot eetzaal. Het eten was in principe prima, maar na al die gezamelijke maaltijden waarbij er niet altijd iets bij zit wat helemaal naar mijn smaak is snakte ik er wel weer naar zelf iets te kunnen bestellen.
Na de lunch sloegen zetten we een zuidwaartse koers in. Het landschap veranderde drastisch in een dorre woestijngrond en de landcruisers trokken wolken van stof door de kleine boerendorpjes die we doorkruisten.

Dwars door de woestijn ... ... en langs Yaks.

Uiteindelijk reden we de zuidelijke Friendship Highway op en rond half zeven kwam het fort van Gyantse bovenop de heuvel in het midden van dit dorpje in zicht. De kamers in het hotel waren een weelde van luxe na het Samye guesthouse. We aten wat in het restaurant van het hotel dat ons werd aangeraden door de reisleider. Het bleek echter relatief duur te zijn en het eten niet meer dam redelijk. Maar ... we konden eindelijk weer iets naar keuze bestellen. We maakten nog een kleine wandeling door de omgeving van het hotel, dat voornamelijk bestond uit kleine Chinese winkeltjes en een ware hoerenbuurt. De voorgaande dagen met hun inspannende programma en spartaanse omstandigheden hadden hun tol geesist en we waren erg moe. We maakten het dus niet laat en doken na een warme douche in bed.

8 Oktober: Gyantse - Shigatse

Het op 3950 meter gelegen Gyantse heeft nog deels een Tibetaans karakter. Dat was duidelijk merkbaar toen we 's morgens het Chinese deel van de stad met z'n schreeuwerige uithangsborden verlieten en langs het fort (dzong) van Gyantse naar het Pelkor Chode klooster liepen. Kruidenierszaken werden verruild voor handelaartjes en ambachtslui.
Het fort van Gyantse was overigens in 1904 het toneel van een strijd tussen de Tibetanen en een Engels leger onder leiding van Kolonel Younghusband. De Engelsen waren bezig op te trekken naar Lhasa in een poging een handelsverdrag af te dwingen met Tibet voordat de Russen hen voor zouden zijn. In de slag om Gyantse Dzong kwamen zo'n 300 Tibetanen en 4 Britten om en werd een groot deel van het fort verwoest.

In het Pelkor Chode klooster vertelde Pupu ons allerlei wetenswaardigheden over de tempelhal. Zo legde hij o.a. uit wat de diverse beelden voorstelden en verklaarde de betekenis van het 'Wheel of Life' dat bij de ingang op de muur geschilderd was. De aanwezigheid van een gids geeft wat dat betreft wat extra diepgang.
Na de tempelhal bezochten we de trots van Gyantse, de Gyantse Kumbum. Deze 34 meter hoge stupa is in tegenstelling tot andere stupa's getrapt opgebouwd in 4 lagen met daarboven een ronde koepel met de karakteristieke ogen die naar de vier windrichtingen kijken. We beklommen deze stupa en genoten van het uitzicht vanaf de top, maar namen niet de tijd om alle 77 (!) kapelletjes met al z'n beelden en muurschilderingen te bekijken. Dat was wat teveel van het goede; 'Kumbum' betekent immers '100.000 afbeeldingen'.

De Gyantse Kumbum. Bovenop de Kumbum.
Uitzicht vanaf de Kumbum. Gyantse Dzong (fort).

Op de terugweg deden we nog wat boodschappen in een paar winkeltjes, kocht ik een mani steen (gebedssteen) met de Tibetaanse manta 'om mani padme hum'. Na een lunch vertrokken we om een uur met de landcruisers richting de volgende stad, Shigatse, waar we om drie uur aankwamen. Net op tijd voor een nieuwe explosieve diarree aanval. Schijnbaar was de kaasomellet van het ontbijt of de kaaspannekoek van de lunch die ik gegeten had niet helemaal betrouwbaar geweest.

We liepen met Ad en Mieke Shigatse in en en snel bleek dat deze tweede stad van Tibet een soort verkleining van Lhasa of vergroting van Gyantse was. Net als in deze twee plaatsen was er een hele duidelijke opsplitsing tussen het Chinese deel van de stad (modern, veel luxe winkels en warenhuizen) en het Tibetaanse deel (bouwvallig, ambachtslui, rommelig, biljardtafels buiten op straat). Wat dat betreft is het net alsof je een hoek van de straat omslaat en ineens 50 jaar teruggaat in de tijd. Overduidelijk dus dat met name de Chinesen het goed doen in Tibet.

Nadat we de kleine Tibetaanse markt hadden bekeken, die voornamelijk uit souvernirverkopers bestond, kwamen we een ander deel van het reisgezelschap tegen en besloten we een pilsje te drinken bij het Tashi Restaurant zodat we meteen konden zien of dit iets was om vanavond te gaan eten. Het was erg gezellig en de kaart van het restaurant prima dus keerden we er 's avonds terug. Het eten was voortreffelijk, een van de beste restaurants van de vakantie. Dat was een hele opluchting na een paar dagen waarbij het eten een stuk minder was.
Na het eten doken we nog even een vreemde Chinees/Tibetaanse disco in. Rob vroeg wat discomuziek aan en na niet al te lange tijd stonden we met z'n allen te springen op Aziatische en Westerse hits. Valt trouwens niet mee op zon'n 4000 meter hoogte. De inspanning zorgt er al snel voor dat je binnen twee minuten hijgend de dansvloer weer moet verlaten. Na enige tijd werd op het podium een show uitgevoerd met een paar Tibetaanse zangers en wat danseresjes. Best geinig allemaal maar na drie deprimerende ballads door een van de zangers begon de stemming er behoorlijk uit te raken. We besloten daarom rond middernacht terug te gaan naar het hotel.

Zwoegen in de disco. Tibetaanse danseresjes met iets te lange mouwen.

9 Oktober: Shigatse - Sakya

's Morgens bij het ontbijt bleek dat de communicatieproblemen met de (Chinese) bediening langzaam begonnen toe te nemen. Veel hotels hebben een 'set breakfast' waarbij de componenten van het ontbijt vaststaan. Ook bij dit hotel was dat het geval, de vertaling van de componenten stond er zelfs in het Chinees onder. Toch blijkt het vaak een verrassing wat je daadwerkelijk op je bord krijgt. Ook in dit geval misten er een aantal zaken en toen ik opmerkte dat mijn aardappeltjes niet aanwezig waren kreeg ik na 10 minuten een kopje yoghurt met muesli voorgeschoteld. Ach ja ...

Judith was een beetje 'tempelmoe' van de afgelopen dagen dus besloot niet mee te gaan op de excursie van deze ochtend. Ze ging met Ad en Mieke wat shoppen en kocht een lekker winterjack voor nog geen 20 euro. Die zou het op de tocht naar Mount Everest in ieder geval niet koud krijgen.
Ik was zelf erg geinteresseerd in het klooster van Shigatse aangezien de Panchen Lama's hier gezeteld waren. De Panchen Lama is na de Dalai Lama de belangrijkste lama van Tibet en normaal gesproken ontdekken deze twee lama's elkaars reincarnaties. Er heerste altijd een redelijke machtstrijd tussen Lhasa (Dalai Lama) en Shigatse (Panchen Lama) en sinds de 9e Panchen Lama waren ze veelal pionnen van de Chinezen. De 10e Panchen Lama was zelfs een door de Chinezen aangewezen kandidaat en de door de Dalai Lama aangewezen 11e Panchen Lama werd door de Chinezen ontvoerd, gevangen gehouden op een onbekende plaats in China en vervangen door hun eigen kandidaat. Opmerkelijk is dat de 10e Panchen Lama uiteindelijk toch erg geliefd werd bij de Tibetanen toen hij na de opstand van 1959 zich tegen de Chinezen keerde en vervolgens 14 jaar in het gevang werd geworpen. Toen hij vrij kwam herstelde hij een hoop schade die de Chinezen tijdens de Culturele Revolutie hadden aangebracht aan het klooster van Shigatse en stierf uiteindelijk in 1989.

Met Pupu liepen we naar dit nabij gelegen Tashilhunpo klooster dat net als Drepung, Sera en Ganden tot de 5 grote 'geelkappen' kloosters van Tibet behoort. Ook dit klooster, dat gesticht was deoor de (postuum benoemde) 1e Dalai Lama, is wederom een klein dorp, gedomineerd door 4 groter tempels en een enorme muur waarop thangka's (wandkleden) worden gehangen tijdens festivals. We bezochten de belangrijkste tempelhallen van het complex en ik moet zeggen dat dit een van de meest indrukwekkende kloosters is die ik gezien heb in Tibet.
Waar de Potala de graftombes van de Dalai Lama's huisde waren in dit klooster de gigantische gouden en zilveren stupa's te zien van de Panchen Lama's, vaak gelegen onder plafondschilderingen van de Kalachakra Mandala. Het meest in het oog springend was de tombe van de 10e Panchen Lama, terwijl er voor de 5e t/m de 9e Panchen Lama slechts een enkele tombe aanwezig was. Dit kwam doordat de Chinezen de oorspronkelijke tombes hadden vernield. Voor de resten die de monniken hadden kunnen redden had de 10e Panchen Lama uiteindelijk een grote nieuwe stupa gemaakt.

Toen ik Pupu vroeg waarom de volledige lichamen van de Dalai Lama's en Panchen Lama's in deze grote stupa's opgeslagen werden vertelde hij me dat dit alleen bij deze twee lama's gedaan wordt omdat ze de twee heiligsten zijn. Andere lama's worden gecremeerd en de minder belangrijke mensen krijgen een 'sky burial'. De lichamen van de Panchen en Dalai Lama's worden ontdaan van ingewanden en gevuld met zout ter conservering. Het zout wordt schijnbaar elke twintig jaar ververst.

De centrale gebedshal van het klooster week af van de gebedshallen die we tot dan toe gezien hadden. Hij was kleiner, de banken stonden dichter bij elkaar en was op de een of andere manier sfeervoller. Het hoogtepunt van het bezoek aan het klooster was echter het bezoekje aan de Jampakapel met z'n 26 meter (!) hoge zittende Boeddhabeeld dat in van 1910-1914 door zo'n 900 mensen gemaakt was. Alleen de vingers van het beeld waren al meer dan een meter lang. Erg indrukwekkend en jammer dat we er geen fatsoenlijke foto van konden maken. Het kon wel maar dan moest je net als in alle andere kloosters wel betalen ... en niet te zuinig. Zeven en een halve euro per foto of 150 euro als het wilde filmen. Absurd hoe het Boeddhisme in Tibet wordt uitgemolken.

In een gesprek met Pupu vertelde hij ons dat zijn oom een belangrijke monnik was geweest in de Potala. Tijdens de opstand van 1959 waren alle monniken voor zo'n 30 jaar in de gevangenis gegooid door de Chinezen, waar ze een enorm zwaar bestaan met weinig eten hadden. Toen zijn oom werd vrijgelaten vestigde hij zich in het Drepung klooster in Lhasa. Pupu's jongere broer, die nu 33 was, had op 10-jarige leeftijd gekozen voor het monnikschap en was ook naar Drepung gegaan, waar hij werd bijgestaan door Pupu's oom tot deze stierf. Gelukkig zag Pupu zijn broer nog regelmatig als hij Drepung bezocht. Ook mogen monniken eens per week een dagje het klooster verlaten om inkopen te doen of familie te bezoeken, als ze 's avonds maar weer terug zijn; ze mogen niet buiten het klooster slapen.

Na met Hans en Lilly geluncht te hebben in het Tashi restaurant waar we de vorige avond gegeten hadden, en na een korte klopjacht op een thangka met een afbeelding van het Wheel of Life waar ik mijn zinnen op had gezet maar nog steeds niet tegen een schappelijke prijs had kunnen vinden, vertrokken we met de landcruisers naar Sakya. Onze chauffeur had op verzoek van Judith een CDtje gekocht met muziek van een zanger uit Shigatse die we al enkele keren hadden gehoord tijdens de diverse ritten.

Tashilhunpo klooster. Onderweg naar Sakya. Tashilhunpo klooster.

Na zo'n 2,5 uur kwam Sakya in zicht, herkenbaar aan haar grijs geschilderde huisjes en fortachtige Sakya klooster. Sakya bleek eerlijk gezegd de enige echte afknapper tot nu toe van de reis. Het was wel een klein, stoffig authentiek Tibetaans dorpje maar de mensen bleken niet bijzonder vriendelijk. Kinderen waren opdringerig, mensen in de straat niet echt vriendelijk en het hotelpersoneel nogal arrogant. Bij een wandeling in de heuvels werd Hans zelfs bedreigd door een herder waar hij een praatje mee wilde maken; hij werd bekogeld met stenen uit de slinger van de herder tot hij hem wat geld gaf.
Ook het bezoek aan het klooster was een afknapper. Een aantal van de monniken waren vervelend, de helft van het klooster bleek een bouwput en een groot gedeelte van de andere helft bleek niet toegankelijk. We werden een aantal keren weggestuurd door monniken en bouwvakkers en toen de de zandmandala wilden bekijken die in een van de kapelletjes stond en een monnik ons probeerde te stoppen waren we inmiddels zo geirriteerd dat we zoveel hadden betaald en zo weinig konden zien dat we gewoon naar binnen liepen om de verkleurde mandala te bekijken. We bekeken nog enkele collegelessen van de monniken, maakten een rondje over de muur die het klooster omringde en verlieten dit deprimerende gebeuren maar snel. In tegenstelling tot andere kloosters die we bezocht hadden behoorde deze tot de Sakyapa orde ('roodkappen'). Ik weet niet of dit iets te maken had met de lokale mentaliteit, maar ik kreeg sterk het gevoel dat mensen met slechte karma uiteindelijk in Sakya herboren werden.

Een aangeprezen restaurantje bleek ondanks de referenties geen koud bier te hebben, het internetcafe bleek gesloten en in de toch mooie hotelkamers was geen warm water. Uiteindelijk dronken we maar wat in het restaurant van het hotel en verzamelden we ons met een man of 10 om acht uur voor een gezellige avond waarbij we zo'n 15 verschillende gerechtjes bestelden en samen deelden op een grote draaischijf op tafel. Verzoekjes om aanvullingen werden door de bediening jammergenoeg niet begrepen maar de gesprekken waren interessant (o.a. over de 'money making business' die het Boeddhisme in Tibet geworden was en touristen die lokale regels aan hun laars lapten en niet alleen de lokale bevolking maar ook andere toeristen een doorn in het oog waren). Toen we gingen slapen was ik alles behalve rouwig dat we dit gehucht de volgende ochtend vroeg zouden verlaten.

Sakya klooster. Gerechtjes delen in Sakya.

10 Oktober: Sakya - Tashi Dzom

Tja, en dan overnacht je in wat een redelijk luxe hotel lijkt, blijkt er de volgende morgen geen druppel water uit de kraan te komen. En dat terwijl we gehoopt hadden even lekker te kunnen douchen. Ook het ontbijt waarvan de manager had beloofd dat het om zeven uur klaar zou staan liet nog eens 20 minuten op zich wachten. Chinezen hebben nog veel te leren over service en afspraken. Nou ja, we moesten maar snel maken dat we wegkwamen uit Suck-ya.

Nadat we om 8 uur vetrokken waren en na enige tijd de Friendship Highway weer opgereden waren bereikten we na enkele uren de 5220 meter hoog gelegen top van de Gyatso-La pas. Het hoogste punt dat we tot nu toe bereikt hadden op onze reis. Dit was het een perfecte plek om een lijntje met Tibetaanse gebedsvlaggetjes op te hangen. Tibetanen geloven dat de wind bij het wapperen van de vlaggetjes de gebeden die erop gedrukt staan meeneemt, wat vervolgens goede karma oplevert. Judith en ik hadden besloten tijdens de reis drie setjes op te hangen; een voor alle vrienden, een voor alle familie en eentje voor onszelf. Het eerste lijntje werd dus achtergelaten op deze bergpas.

Na nog een tijdje doorgereden te hebben dook opeens een grote witte bergtop op aan de horizon. 'Chomolangma !' zei Pimpa enthousiast; de Tibetaanse naam voor Mount Everest, een van de bestemmingen van onze doorreis. Toen de cruisers even stopten voor een 'fotomoment' kwamen twee Tibetaanse kindjes nieuwsgierig kijken naar deze vreemde bleke mensen. Toen ze niet begonnen te bedelen besloot Judith twee oude baseballcaps aan de twee te geven. Ze waren er duidelijk blij mee en een van de twee smeet zelfs zijn oude petje minachtend in de berm.
Al snel verzamelden meer kinderen zich rond de jeeps en even later kwamen er zelfs een paar Tibetanen met paard en wagen aanrijden. De groep deelde koekjes, snoepjes en ballonnen uit aan het gezelschap. Erg leuk allemaal, nu maar hopen dat deze goed bedoelde daad niet zal leiden tot meer bedelgedrag.

Judith geeft haar oude petjes af. Uitzicht op de Himalaya vanaf Pang-La.

Terwijl Pupu de vergunningen regelde voor ons bezoek aan het Qomolangma Natuurreservaat namen we een lunch in het plaatsje Shegar en sloegen een voorraadje etenswaren in voor de volgende dag. Net voorbij Shegar namen we een afslag van de Friendship Highway en kwamen al snel bij een controlepost voor dit beschermde natuurgebied. Na controle van de vergunningen mochten we doorrijden en beklommen we de steile bergpas Pang-La, tot de we 5120 meter hoog gelegen top bereikten. Hier konden we voor het eerst een goede blik werpen op de legendarische Himalaya. De toppen van Mount Everest (Qomolangma), Lhotse, Makalu en Cho Oyu strekten zich voor ons uit. Een adembenemend gezicht.

Gebedsvlaggetjes ophangen ... ... en torentjes bouwen van steen.

De reis vervolgde zich door valleien en stoffige dorpjes. Onderweg hier en daar stoppend om te genieten van het uitzicht. Bij een van deze onderbrekingen bouwden Judith en ik een torentje van stenen; wederom een Tibetaans ritueel voor goed geluk.
Uiteindelijk reden we halverwege de middag Tashi Dzom in. Dit was het eindpunt van vandaag. Eigenlijk zouden we naar Rongphu rijden om daar te overnachten in een guesthouse van een klooster, echter het guesthouse van Tashi Dzom waar we zouden slapen was iets comfortabeler en het gehucht lag iets minder hoog, zodat we minder last zouden hebben met slapen.

Ad, Mieke, Judith en ik namen een kleine slaapzaal zonder ramen en met een enkele gloeilamp als onderkomen en namen daarna een kijkje in het restaurantje aan de overkant. Al snel bleek dat we de bezienswaardigheid van de dag waren voor de plaatselijke bevolking, en met name de jeugd. Terwijl we rustig een pilsje probeerden te drinken en een hapje nuttigden verzamelde steeds meer kinderen zich voor de deur van het hotel. Uiteindelijk verzamelden ze voldoende moed om naar binnen te komen en werd ik wederom het slachtoffer van een 'bookjacking'. Mijn Lonely Planet kwam in de smoezelige handen van een van de koters van Tashi Dzom. Ik besloot het clubje wat plaatjes te laten zien en ze te laten raden wat het voorstelde. Met de Potala hadden ze geen enkele moeite, maar de meeste andere foto's van Tibetaanse hoogtepunten konden ze niet echt thuisbrengen. Toen het spelletje wat begon te vervelen en de lucht van kauwgom vermengd met ongewassen kids wat teveel werd moesten we het gezelschap met de nodige moeite (en hulp van de eigenaresse van het restaurant) naar buiten werken.

Het guesthouse in Tashi Dzom. Ed vermaakt de plaatselijke jeugd.

Na nog wat extra inkopen te hebben gedaan verzamelde de groep zich rond een uur of zeven voor een gezamelijk ontbijt in de leefruimte van het guesthouse. De maaltijd was nogal saai met een gebrek aan vlees maar de sfeer was gezellig. De dikke Tibetaanse vrouw die het guesthouse leek te runnen stookte intussen de centrale kachel flink op om water te koken, terwijl ze jakmest in de oven gooide als brandstof. De lange rit van vandaag in combinatie met een paar biertjes en de stijgende temperatuur maakte iedereen dusdanig loom dat het een vroege nacht werd. We pakten stiekem wat nieuwe, schone dekens mee om te gebruiken als slaapzak. De dekens op de kamer waren namelijk niet echt om over naar huis te schrijven.

11 Oktober: Tashi Dzom - Mt. Everest Basecamp - Nyalam

Half zes. Wat een vreselijke tijd om op te staan. Maar ja, het was wel nodig als we de zon zouden willen zien opkomen op Mount Everest. Ik sprong uit het bed dat een aantal speilen leek te missen in de bodem en daarom niet echt had bijgedragen aan een goede nachtrust. Ik trok aan het touwtje van de gloeilamp. Niks. Nog eens proberen. Weer niks. Okay, we hadden geen elektriciteit. Toen ik me met de zaklamp die Judith had klaargelegd een weg zocht naar het toilet bleek dat we ook geen stromend water hadden. Lekker.

Gelukkig hadden we alles al zo goed als klaar gelegd voor vandaag en slaagden we er toch in om rond zeven uur bij de jeeps te staan. We hadden zelfs tijd om met wat heet water even een bakje koffie te zetten met wat zakjes instant cappucino die Judith eerder had gekocht. Misschien wel de beste koffie die ik in Tibet gedronken heb.
Pimpa en de andere chauffeurs zochten zich door het donkere en ruige landschap van het Qomolangma reservaat een weg naar het zuidelijk gelegen Rongbuk, waar we rond kwart over zeven aankwamen. Hier, aan de voet van een klooster, konden we niet verder. De weg was versperd door prikkeldraad en de tocht zou te voet voortgezet moeten worden. We waren echter goed voorbereid; dik aangekleed en met voldoende eten en water. En dat zou ook nodig zijn want we zouden deze ochtend een tocht van 8 kilometer maken naar de voet van de hoogste berg ter wereld, naar Mount Everest Basecamp. Rongbuk ligt op 5000 meter hoogte en tijdens de tocht zouden we nog eens 200 meter stijgen. De temperatuur was vijf graden onder nul, dus er stond ons een flinke uitdaging te wachten.

De enige koffie in de wijde omgeving. Op naar Chomolangma !

Vol goede moed begonnen we aan de wandeling, maar al snel viel de groep uiteen toen iedereen zijn eigen tempo vast begon te houden. Ik bleef zelf bij Judith in de buurt, die deze morgen al wat last van duizeligheid had gehad. Toen ze het na twee of drie kilometer te zwaar kreeg en niet meer in staat leek om de nodige zuurstof uit de ijle lucht te halen besloot ze op een van de pendelende paard en wagens te springen en zo naar Basecamp te rijden. Ikzelf was vastbesloten om het traject lopend af te leggen. en dat viel niet mee. Acht kilometer lopen in de kou en ijle lucht is geen kattepis en ergens halverwege kreeg ook ik het moeilijk. Ik zou en moest de 'eindstreep' echter halen en deed datgene wat mij vaak helpt om extra doorzettingsvermogen op te roepen: ik zette mijn MP3 speler op. Met nieuwe kracht en inspiratie vanuit Peter Gabriel's Secret World CD lukte het me om een soort 'automatische piloot' in te schakelen en zette ik de tocht met vaste tred voort. Inmiddels had ik een chronische loopneus en begon zich ijs te vormen in mijn waterfles maar aan de smaak van brandend hout of wierrook in de lucht te oordelen kon het niet ver meer zijn. Na ruim 2 uur gelopen te hebben bereikte in Mount Everest Basecamp; een verzameling tenten met daarachter de schitterende koning van de Himalaya.

Ik trof Judith aan in de eerste tent, die de naam 'Hotel California' droeg, waar ze zat te genieten van een kopje warme koffie en de koekjes die we een dag eerder gekocht hadden. Die koffie en koekjes gingen er ook bij mij prima in. Toen meer mensen van de groep arriveerden bij Basecamp bleek echter al snel dat we iemand misten. Een van de groepsleden, een jongen uit Utrecht, was vermist. Een paar van ons hadden hem bovenop een heuvel zien lopen, weg van het vaste pad. Sindsdien had niemand meer wat van het gezien of gehoord. Natuurlijk was het bijzonder onverstandig om jezelf in dit onbekend terrein met ijle lucht van de groep af te zonderen. Hij zou wel bewusteloos ergens op een heuvel kunnen liggen. Jammergenoeg was dit voor de groep de absolute druppel aangezien hij zich al niet populair had gemaakt met zijn seksistische opmerkingen, te laat komen, tegendraadse gedraag en betweterigheid. De groepsleider en een andere doorgewinterde wandelaar trokken met zuurstofflessen de heuvels in om hem te gaan zoeken. Je zult begrijpen dat deze persoon van iedereen de volle laag kreeg toen hij op een gegeven moment doodleuk aan de zuidkant van Basecamp een heuvel af kwam lopen terwijl er twee man met gevaar voor eigen leven naar hem aan het zoeken waren.

Everst Basecamp. Mount Everest, alias Chomolangma.

Ondanks deze smet op een prachtige dag genoten we van het prachtige uitzicht op Chomolangma, namen veel foto's en beklommen hijgend de heuvel aan het einde van Basecamp om gebedsvlaggetjes op het hangen op ruim 5200 meter hoogte. Judith besloot de terugweg naar Rongbuk wel te lopen; ze was erg teleurgesteld dat ze het 's morgens niet gehaald had. De terugweg was makkelijker dan de heenweg omdat de zon nu vollop scheen en het niet meer zo koud was. Dat wil echter niet zeggen dat het een eitje was; 8 kilometer lopen op 5000 meter hoogte blijft een flinke uitdaging. Ik was in ieder geval helemaal kapot toen we rond half 2 aankwamen in Rongbuk. Ik plofte neer op een bank in het restaurant van het guesthouse en had nauwelijks meer de energie om de noodlesoep die we voorgeschoteld krijgen naar binnen te werken.

Ik dacht dat ik wel een tukkie zou kunnen doen in de landcruiser als we onze tocht westwaarts vervolgden, maar dat bleek vrijwel onmogelijk te zijn door het ruige landschap. En dat was maar goed ook want deze middag was zonder twijfel de allermooiste tocht van de hele vakantie. We schoten iets buiten Rongbuk de toch al slechte weg af voor een 'shortcut' naar Tingri. We passeerden daarbij dorre vlakten, reden over hoge heuvels, door kleine dorpjes en gigantische steenvlakten. En altijd hadden we de mooie besneeuwde koppen van de Himalaya langs ons, terwijl de Yaks en kuddes schapen en geiten wegvluchten voor de cruisers die het stof deden opwaaien op het Tibetaanse plateau.
Om een uur of vijf kwamen we aan in Tingri, waar we even pauzeerden en wat hapjes insloegen. Daarna vervolgde de tocht zich op de Friendship Highway, die we weer op konden draaien in dit kleine plaatsje. Na enkele kilometers verdween het asfalt echter en zette de snelweg zich voort als onverharde weg. Het zou tot ver in Nepal duren voor we weer wat asfalt zouden zien.

Onderweg naar Tingri. Vluchtend vee.

Na ongeveer anderhalf uur beklommen we twee hoge bergpassen, de La Lung-La (5124 meter) en daarna de Tong-La (5120 meter). Dit leverde het allermooiste uitzicht van de hele reis op. Voor ons strekten de toppen van de Himalaya zich uit, hoger dan we ze tot nu toe hadden gezien. Het leek alsof ze tegen de achtergrond geplakt waren en dat je ze zo aan kon raken. Adembenemend ! Hier hingen we onze derde lijn gebedsvlaggetjes op voor we in de cruisers sprongen voor de laatste 55 kilometer van de dag. Deze gingen stijl omlaag want Nyalam, het eindpunt van de dag, lag op 3750 meter hoogte.

Op de Tong-La pas. Uitzicht vanaf Tong-La.

Vroeg in de avond trokken we Nyalam, een klein plaatsje met een enorm rotsblik dat vervaarlijk boven een groepje huizen hing. Na onze spullen in de vijfpersoonsslaapzaal te hebben gedumpt gingen we snel even internetten en daarna met de groep eten in het Snowland restaurant. Opmerkelijk trouwens dat bijna elk restaurant en hotel in Tibet Snowland heet ... Het eten was in ieder geval erg lekker, een hele opluchting na alle gezamelijke simpele maaltijden van de afgelopen dagen. Ook het bed in de slaapzaal was prima en leverde een van de betere nachtjes van de afgelopen week op.

12 Oktober: Nyalam - Kathmandu

Half acht opstaan om wederom tot de ontdekking te komen dat het centrale toiletgebouw geen stromend water had. Wat is dat toch in die guesthouses ? Wellicht heeft het iets te maken met bevriezingsgevaar van de leidingen of zo. Hoe dan ook, om acht uur trokken de vijf landcruisers Nyalam uit richting de grens met Nepal.
Nyalam betekent overigens 'poort naar de hel' in het Tibetaans en dankt zijn naam aan de steile afdaling naar het zuiden die het landschap maakt. Door de snelle verandering in hoogte (van 3750 naar 2300 meter) en klimaat (de groene vegetatie keert plotseling terug) ontstaan er vaak wolkenvelden en mistbanken in de vallei. Vandaar de naam.

De laatste Tibetaanse nederzetting voor de grens is Zangmu, waar we een ontbijt namen, wachtend tot de grenspost om tien uur open zou gaan. Er volgde een typisch Aziatisch ontbijttafereel; de helft van wat de menukaart te bieden had was niet op voorraad en datgene wat besteld was veranderde op miraculeuze wijze in een variant. Erg storend waren al de geldwisselaars die ons zelfs tot in het restaurant volgden om ons over te halen onze yuans bij hen in te wisselen voor roepies. De opdringerigheid en verhalen over oplichting deden me besluiten mijn 150 laatste yuans (15 euro) lekker in Katmandhu van de hand te doen.

Na het ontbijt liepen we met de hele groep naar de Chinese grenspost waar het een drukke chaos was. Uiteindelijk mochten we na het invullen van de nodige documenten en doorstaan van enkele controles de grenspost door en kwamen terecht in een stukje Niemandsland. De trucks brachten ons zo'n acht kilometer verder naar de Nepalese grenspost Kodari. Hier namen we afscheid van de chauffeurs; we bedankten Pimpa, gaven hem de gereserveerde fooi en schoten een laatste foto met het 'clubje' van onze cruiser.

En toen was het toch een pittig eindje sjouwen met de bagage. Eerst van de bergheuvel omlaag, langs de winkeltjes van Kodari, toen de Friendship Bridge over en vervolgens het kantoor van de Nepalese douane in. Meer formulieren invullen, pasfoto toevoegen, af laten stempelen, laten ondertekenen in een apart kantoortje en we hadden weer een visum voor drie dagen. Toen was het nog eens een kilometer verder sjouwen naar de plek waar de bus op ons stond te wachten. Al met als hadden alle grensformaliteiten zo'n 2,5 uur in beslag genomen. Gelukkig ging de klok in Nepal 2 uur en een kwartier terug dus hadden we nauwelijks tijd verloren. ;-)

Afscheid van Pimpa. Terug in Groen Nepal.

Na Nyalam was het landschap drastisch veranderd. De dorre Tibetaanse vlakten hadden plaatsgemaakt voor een zee van groene bergheuvels, doorsneden door neerstortende watervallen. De wegen waren echter niet veel beter geworden en al snel bleek duidelijk dat een bus een stuk minder geschikt was voor dergelijk terrein dan onze landcruisers. Over 12 kilometer deden we maar liefst ruim een uur. Dit soort taferelen deden me terugdenken aan de tochten over de helse wegen van Cambodia's Ratanakiri.
We lunchten in het Last Resort, een soort activiteiten en accomodatiepark. Ik had hier al lang naar uitgekeken aangezien het hier mogelijk was om een 160 meter diepe bungee jump te maken van een handbrug. Tot mijn grote teleurstelling werd er vandaag echter niet gesprongen. Jammer, want het was voor mij een van de 'geplande' hoogtepunten van de reis. Gelukkig was de lunch erg lekker en de sfeer uitermate relaxt. Twee van onze reisgenoten beviel het zelfs zo goed dat ze besloten een avondje in het Last Resort te blijven toen wij weer in de bus naar Kantmandhu stapten.

Het grootste deel van de rit vormde het meest oncomfotabele deel van de gehele reis. Stuiterend en bonzend daalden we nog verder af naar de Katmandhu vallei. Onderweg werden we bovendien twee maal aangehouden door Maoistische rebellen die een 'vrijwillige bijdrage' wilden. Rob maakte zich er uiteindelijk vanaf met 300 yuan(30 euro) voor de hele bus. Die avond zou de engelstalige Nepalese krant overigens melding maken van dergelijke uit de hand gelopen wanpraktijken van de Maoisten.

Via Dhuliker en langs Baktapur kwamen we na een uur of drie eindelijk aan bij de rondweg van Katmandhu. Alle twijfel dat we niet meer in Tibet waren was inmiddels weggenomen. Waterbuffels in plaats van yaks, Suzuki's en tientallen bussen in plaats van landcruisers en paard en wagens, groene velden in plaats van dorre vlakten, kakofonisch geclaxoneer in plaats van serene stilte, enorme bergen zwerfafval in de straten, uitlaatgassen, Newari mutsjes in plaats van Khampa flosjes op het hoofd, motregenbuitjes en klamme warmte in plaats van droogte en felle zon, maar ook een volledige afwezigheid van Chinezen. We waren terug in Katmandhu, of beter gezegd, 'Katmandouche' zoals we de Nepalese hoofdstad inmiddels noemden. Het was immers de eerste keer in dagen dat we een douche konden nemen.

Relaxen in The Last Resort. Muurvast in de spits van Katmandhu.

De douche liet echter nog even op zich wachten aangezien de chauffeur ons eerst naar het verkeerde hotel bracht en daarna hopeloos vast kwam te zitten in de spits, en nog wel op de meest beruchte rotonde van Katmandhu. Dit duurde uiteindelijk zo lang dat we alvast vooruit liepen met een groepje en een Everest biertje opentrokken in het Harati hotel, waar we voor de derde keer deze vakantie 'aanmeerden'. Toen de bus en de bagage eindelijk arriveerden namen we de langverwachte douche, om daarna met een inmiddels bijna vast gezelschap te gaan eten in een uitstekend steakhouse in Thamel. Heerlijk om de Nepalese, Tibetaanse en Chinese kost eens even te laten voor wat het was en te genieten van een enorme steak. Hoewel het nog redelijk vroeg was sloeg de vermoeidheid toe en we waren natuurlijk eigenlijk al ruim 2 uur langer op, dus keerden we na even internetten niet te laat terug naar het hotel, waar voor de verandering een heerlijk comfortabel bed voor ons klaar zou staan.

13 Oktober: Patan/Kathmandu

Als goedmakertje voor een aantal problemen in het hotel in Bakthapur had Rob van de lokale reisorganisatie een excursie naar Patan cadeau gekregen. Patan is naast Bhaktapur en Katmandhu de derde koningsstad van Nepal en het was een leuke afsluiting van het bezoek aan Nepal om ook die stad te gaan bekijken. Om tien uur vertrokken we in een bus en de gids van de dag vertelde volop over Nepal en zijn bewoners. Hij maakte diverse grapjes en bracht de stemming er goed in. Jammergenoeg zou later blijken dat hij over de bezienswaardigheden van Patan een stuk minder spraakzaam was en iedereen in een rotgang door de stad heen joeg.

Allereerst bezochten we Patan Industral Estate, waar de ambachtslui waar Patan om bekend staat bezig waren met het vervaardigen van werkelijk prachtige beelden, thangkas en houtsnijwerk. Ik was zelf nog steeds op zoek naar een mooie thangka van het Boeddhistische Wheel of Life maar ook Judith werd nu spontaan verliefd op een schitterend exemplaar dat in een gallerij hing. Het kunstwerkje kostte echter 250 dollar, dus we besloten eerst verder te kijken in Patan zelf alvorens we hier een poging tot afdingen zouden doen.

Aangekomen in Patan bezochten we allereerst de Rato Machendranath tempel , opgedragen aan de god van regen en overvloed, welke volgende de Boeddhisten een manifestatie is van Avalokiteshvara en volgens Hinduisten een manifestatie van Shiva. Bijzonder was hier de verzameling dieren op pillaren voor de deuren van de tempel. Deze waren afgeschermd met kooien om beschadiging en diefstal tegen te gaan, wat het geheel een nogal merkwaardige aanblik gaf.

Net als de andere koningssteden heeft Patan een Durbar Square en persoonlijk vond ik dit de leukste van de drie. De tempels zijn in Patan allemaal wat dichter bij elkaar gelegen dan in Bhaktapur en daardoor wat overzichtelijker. Daarnaast is de sfeer ook wat leuker dan in Katmandhu. De gids nam niet echt veel tijd om tekst en uitleg te geven bij alle tempeltjes en eigenlijk was dat niet zo heel erg aangezien de meeste tempels vergelijkbaar zijn met die op de andere Durbar Squares.

Thangka schilderes in Patan. Rato Machendranath tempel. Golden Tempel, Patan.

De laatste bezienswaardigheid die de gids liet zien was de Golden Tempel. Dit was een erg bijzondere locatie aangezien het hier een Boeddhistische tempel betrof. In tegenstelling tot de andere Boeddhistische tempels die we in Nepal gezien hadden was deze echter niet gebouwd als stupa maar in de typische Nepalese gelaagde structuur. Veel tijd om rond te kijken of naar binnen te gaan hadden we jammergenoeg niet want de gids wilde alweer naar de volgende locatie (welke de tourbus bleek te zijn).

Durbar Square, Patan. Fried Momo's !

Terug bij de bus stapte de hele groep in maar Ad, Mieke, Judith en ik besloten dat we eigenlijk de middag ook nog wel wilden rondneuzen in Patan. We liepen terug naar Durbar Square en namen op een dakterras van een restaurantje iets lekkers te eten. Daarna begon de grote zoektocht naar de perfecte thangka. Uiteindelijk vonden we een thangka shop met een prachtig exemplaar. Anders dan degene die we 's morgens hadden gezien maar minstens zo mooi. De vraagprijs was 380 dollar, wat we duidelijk teveel vonden. Ik bood de winkelier 100 euro maar toen hij niet akkoord ging gaf ik aan eerste verder te willen kijken. En dat deden we ... maar vonden nergens een mooier exemplaar. Op een gegeven moment kregen we echter in de gaten dat de winkelier ons aan het volgen was. Duidelijk een teken dat hij toch geinteresseerd was in de verkoop. Teruggekeerd in de winkel lukte het dan ook na een hoop push-and-shove om de deal te sluiten op 125 euro. Ik had daarvoor wel moeten dreigen om een tweede keer definitief weg te lopen.

Toen we alle souveniers gekocht hadden gingen we op zoek naar een taxi, onderweg nog geamuseerd door een Nepalese vrouw die duidelijk niet spoorde en ruzie stond te maken met alle marktkooplui die ze tegenkwam. Op een gegeven moment stond ze gewoon door haar broek heen op straat te pissen. Na een taxi teruggenomen te hebben naar Katmandhu namen we nog een pilsje op het terras van Hotel Harati en namen we een douche voor we naar het laatste gezamelijke diner zouden gaan.

Het diner vond plaats in een gezellig restaurant in Thamel, compleet met Nepalese muziek en dans. De Afghanse Kebab die we besteld hadden leek bijzonder veel op Kip Tika maar smaakte er niet minder om. Rob kreeg als afscheidscadeau een gebedsmolen gevuld met cash van de groep. De meesten gingen na het eten nog een paar afzakkertjes pakken maar ik was dusdanig vermoeid dat Judith en ik besloten terug te gaan naar het hotel.

Afscheidsavond van Rob. Een klooster van chocoladetaart.

14 Oktober: Kathmandu

's Morgens gingen Judith en ik nog even Thamel in om te jagen op de laatste paar souvenirs. Ik kocht nog een gebedsmolentje en een CD met 'Tibetaanse muziek' die overal in Tibet en Nepal te horen is bij Boeddhistische stupa's (maar uitgevoerd is door Chinese muzikanten en behalve het herhaalde Om Mani Padme Hum bijzonder weinig te maken heeft met Tibet) en Judith een tweetal kleine beeldjes van de Boeddha en de olifantgod Ganesh. Bij de Kathesimbhu stupa dronken we nog een bakje koffie, we gingen nog even wat internetten en toen was het om 12 uur tijd om te vertrekken naar de luchthaven.

Voor de tweede keer gingen we door alle controles heen op de luchthaven: bagagecontrole, luchthavenbelasting betalen, inchecken, tweemaal boarding pass controle, visa controle en uiteindelijk handbagagecontrole. In de 'tax free area' maakten we onze laatste roepies op aan een boekje over Nepalese goden, koffie, cake en wat snoepjes.

Een dag eerder hadden we nog tegen elkaar gezegd dat we best nog een paar dagen zouden willen blijven. Dat verzoek werd gehoord, alleen niet op de manier waarop we hadden gehoopt. Toen we namelijk uiteindelijk zaten te wachten in de pre-boarding ruimte en het tijd was om aan boord te gaan voelde ik me opeens niet lekker. Ik begon te zweten en werd misselijk en hoewel ik mijn boardingpass al had ingeleverd mocht ik nog even terug naar de WC. Overgeven ging niet, maar ik was wel weer zwaar aan de diarree. Judith en ik gingen als laatsten aan boord, maar zo snel als ik zat brak het zweet me weer uit en werd het zwart voor mijn ogen. De bemanning kreeg in de gaten dat het niet goed met me ging en het vliegtuig, dat al op weg was naar de startbaan, werd gekeerd en ging terug naar de vertrekhal, terwijl ik voor een tweede keer naar het toilet (van het vliegtuig) ging. De manager van de luchthaven, Mr. Sen, kwam aan boord en besloot dat het beter was dat ik van boord zou gaan en vervoerd zou worden naar een ziekenhuis.

De ambulance stond al te wachten en terwijl Judith mee ging om de visa aan te laten passen ging ik liggen en reed de ambulance naar de voorzijde van de luchthaven. Daar stapte Judith even later ook in en werden we met sirene naar een EHBO post gebracht.
Ik moest gaan liggen in een bed en een dokter kwam een aantal vragen stellen, waarna ik aan een infuus werd gelegd. De verpleegster had daar duidelijk moeite mee want ze stak een naald recht in een spier van mijn rechterpols. Toen duidelijk te zien was dat ik pijn had en schijnbaar helemaal blauw aanliep zei Judith dat ze moest stoppen en probeerde de verpleegster het later aan de bovenkant van mijn linkerhand. Judith moest een aantal keer op en neer naar het aangrenzende apotheekje om medicijnen te kopen en ik kreeg een tweetal zakken vocht en medicijnen toegediend via het infuus.

Ik kreeg het op een gegeven moment erg koud en Judith haalde een paar dekens om over me heen te leggen want het personeel zelf leek zich niet echt te storen aan mijn gebibber. Ze belde ook Rob even in Hotel Harati. Hij was gelukkig aanwezig en kwam na enige tijd binnenlopen op de EHBO post. Inmiddels had ik na het toedienen van de medicijnen al flink over moeten geven, iets waar ook niemand van het medisch personeel zich echt aan leek te storen.
Ik moet drie of vier uur op die EHBO post gelegen hebben toen ik werd ontslagen en een viertal verschillende medicijnen meekreeg. De dokter had geadviseerd twee dagen te wachten voor ik weer mocht vliegen. Waar ik nu precies last van had was ons niet helemaal duidelijk. De dokter sprak in medische termen en had het over acute gastra-nogwat. Waarschijnlijk was het geen zware voedselvergiftiging maar een soort acute darminfectie of buikgriep-achtig iets. Onderweg naar het hotel werd ik opnieuw misselijk en toen de taxi even stilstond gooide ik het portier open om over te geven. Het was alleen gal; de rest van mijn maag had ik op de EHBO post al geleegd.

Rob had inmiddels een tweetal extra overnachtingen in Hotel Harati geregeld. Jammergenoeg betrof het een kamer aan de voorzijde van het hotel, aan de drukke straat, maar ik was al lang blij dat ik kon liggen in een ander bed dan op de EHBO post. De rest van de avond van de avond heb ik vooral geslapen.

15 Oktober: Katmandhu

Hoewel de meeste winkels pas om 10 uur opengaan in Katmandhu begint het verkeer al om een uur of 6 op gang te komen. En dat is te merken, want het gaat gepaard met een aanhoudende kakofonie van getoeter. Ik heb geprobeerd te tellen hoeveel seconden het duurde tussen twee claxons maar kwam niet verder dan 3 seconden. Je kunt je voorstellen dat dit geen optimale omstandigheden zijn voor een goede rust. Toch heb ik voor een groot deel van de dag nog geslapen. Rob was intussen bezig om vervangende tickets en via te regelen met Mr. Sen op de luchthaven en Gulf Air, terwijl Judith wat te eten regelde (meer dan twee sneetjes toast en thee kreeg ik niet naar binnen) en nog even wat T-shirts kocht; onze bagage stond immers nog op de luchthaven.

Na een douche te hebben genomen besloten we even in de tuin te gaan zitten zodat we frisse lucht hadden en verlost zouden zijn van de herrie op straat. We gingen op het gras zitten en met moeite werkte ik nog wat thee en toast naar binnen. De eetlust ontbrak me volledig. Rob kwam later bij ons zitten. Hij had na een hoop bureaucratie nieuwe vluchtgegevens en had ook onze bagage mee teruggenomen vanaf de luchthaven. We zouden de volgende morgen vroeg op moeten staan en om 8:15 naar Muscat vliegen. Tenminste, als we een beetje geluk hadden. Het was namelijk nog niet zeker dat er stoelen beschikbaar waren.

Judith haalde wat (redelijk) schone kleren uit de bagage en stopte de noodzakelijke dingen in onze handbagage, deed nog wat boodschapjes en regelde de betaling van de kamer en telefoonkosten naar het thuisfront. Ondanks het verkeer op straat en een nachtelijk onderonsje tussen alle honden van de Katmandhu vallei slaagden we er toch in om nog wat te slapen.

16 Oktober: Katmandhu - Muscat

Vijf uur ging de wekker. Ik was nog alles behalve fit, maar ik een conditie die voldoende was voor de reis naar huis. Aankleden, tanden poetsen, laatste spullen pakken en snel naar beneden. Rob kwam om kwart voor zes ook naar de receptie en hield op straat een taxi aan. Toen we wilden inchecken kregen we te horen dat we moest wachten tot half 8 omdat nog niet duidelijk was of er plaatsen waren aan boord. Uiteindelijk kregen we om kwart voor 8 boarding passes maar moesten die even later weer inleveren toen de vlucht vertraagd bleek te zijn. Schijnbaar hing er mist op de landingsbaan en moest het vliegtuig uitwijken naar Bangladesh.

Mr. Sen hielp ons met alle formaliteiten en dat waren er nogal wat. We moesten nieuwe visa aanvragen aangezien de oude visa verlopen waren. Dat kostte nog eens 64 dollar. Nu maar hopen dat de verzekering alles zou vergoeden. En natuurlijk komen problemen nooit alleen; bij een controle van mijn paspoort brak het plastic gedeelte, dat daarvoor al licht gescheurd was, volledig af. Gelukkig deed men er niet al te moeilijk over en konden we gewoon verder. Ook bij de controle van de handbagage werd niet echt moeilijk gedaan over de medicijnen. Erger nog, er werd helemaal niet naar gekeken. Terug in de pre-boarding hal waar ik eerder zo ziek was geworden begon vervolgens het wachten op de vertraagde vlucht.

Tegen 12 uur vetrok uiteindelijk het vliegtuig naar Muscat, waar we een uurtje of 4 later arriveerden. Tegen die tijd was onze aansluitende vlucht echter al vertrokken. De volgende vlucht bleek pas om half twee 's nachts te zijn. Gelukkig zorgde Gulf Air voor kamers in het 10 minuten verderop gelegen Holiday Inn en nadat we informatie hadden gekregen over de vlucht van Londen naar Amsterdam bracht een arabier in een jurk alle slachtsoffers van de vertraging naar het hotel. Muscat, de hoofstad van Oman, ligt in een woestijn aan de kust van de Golf van Oman. Hoewel het afgrijselijk warm was zagen we onszelf al pootje baden in het water. Dus niet ... het Holiday Inn lag in de prachtige omgeving van ... een industrieterrein. Ach ja, dat mocht de pret niet drukken want we hadden een comfortabele gekoelde kamer en kregen een lunch en diner aangeboden. Die laatste sloegen we echter over gezien de omvang en tijd (half 5) van de lunch.

Groot gevaar van een paar uurtjes slapen, zeker tijdens reizen en bij tijdsverschillen, is dat je meer gebroken wakker wordt dan je bent gaan slapen. Dat was nu ook het geval. Na een paar uurtjes CNN kijken voelden we ons echter wat beter en om elf uur namen we de pendelbus terug naar de luchthaven. Na alle controles moesten we nog een paar uur rondhangen op de luchthaven. Beetje snuffelen in de tax-free shops dan maar (waar continu de stroom uitviel).
Toen we uiteindelijk aan boord gingen en het vliegtuig vertrok kregen we direct een avondmaaltijd aangeboden. Omdat die om twee uur 's nachts niet echt lekker weghapt en we doodmoe waren sloegen we die over. We probeerden wat te slapen, wat Judith prima lukte. Slapen in een zittende positie is iets wat mij echter nooit echt zal lukken.

Lunch in Muscat. Verder revalideren in het Holiday Inn.

17 Oktober: Muscat - Londen - Amsterdam

Omhalf zeven locale tijd kwamen we aan in Londen. Na de lange veiligheidscontroles streken we uiteindelijk neer in een coffeeshop waar we wat broodjes en koffie namen. De rekening veroorzaakte een lichte hartverzakking na drie weken lang eten voor enkele euro's. Wederom een beetje rondhangen, tax-free shops kijken en om elf uur stegen we op richting Amsterdam.

Zoals gezegd komen problemen nooit alleen. Ik had mijn paspoort met enkele bagagelabels aan elkaar geplakt en dat leverde verbazingwekkend genoeg geen enkel probleem meer op. Judith's bagage was een ander verhaal. Daar moet een lichte vloek op rusten want nadat deze drie weken geleden al als laatste van de band was gekomen was er nu helemaal geen spoor van te bekeken. Schijnbaar ergens in Londen blijven staan. Na de nodige formulieren te hebben ingevuld bij Servicair en de belofte dat de bagage waarschijnlijk binnen 48 uur thuisbezorgd zou worden liepen we uiteindelijk de aankomsthal binnen, waar de ouders van Judith ons al op stonden te wachten.

We namen nog een broodje en wat te drinken op de luchthaven en reden toen door ons opmerkelijk platte kikkerlandje terug naar huis. Veertig uur nadat we de terugreis begonnen waren in Katmandhu konden we uiteindelijk op de bank neerploffen en Gringo, de kat, weer eens knuffelen.

Epiloog

Een dag na terugkomst bezocht ik voor de zekerheid toch nog even de huisarts om te kijken of de behandeling en de medicijnen die ik gekregen had wel helemaal in de haak waren. Hij bevestigde dat ze de juiste keuzes hadden gemaakt, hoewel de sterkte en hoeveelheid medicijnen die ze hadden gegeven voor Nederlandse begrippen wel absurd hoog waren. Vandaar het vieze drankje dat naar Rennies smaakte; dat was om de bijwerkingen op mijn maag wat tegen te gaan. Ik scheen een acute gastroentritis te hebben gehad; een soort heftige darminfectie waarbij er het lichaam de infectie zo snel wil afvoeren dat het zo veel mogelijk vocht uit je lichaam onttrekt om binnen no-time je darmen leeg te kunnen spoelen. Vandaar de vertraagde bloedsdoorstoming en neiging tot flauwvallen.

Ik zou nog enkele dagen slapjes blijven, wat ik na een crematie die we diezelfde week hadden duidelijk zou merken. Gelukkig was dit alles gebeurd aan het einde van de reis want ik had geen dag willen missen (nou ja, misschien Sakya dan). Al met al was het een prachtige reis geweest met vele hoogtepunten.

Boeddhisme: Een van de belangrijke redenen om naar Tibet te willen was voor mij het feit dat het wellicht het land is waar het Boeddhisme het meest sterk geintegreerd is in het dagelijkse leven van de bevolking. Dat bleek voor wat betreft de Tibetanen ook zeker het geval te zijn. Pelgrimstochten, heilige bouwwerken, Boeddhabeelden, prostreren, gebedsmolentjes, manistenen, etc zijn overal aanwezig. Het leven is Boeddhisme voor de Tibetanen. Wel heeft dit bezoek mij duidelijk gemaakt dat de stroming van Tibetaans Boeddhisme, hoewel enorm fascinerend, niet 'my cup of tea' is. Ik hou het toch liever bij het Therevada Boeddhisme van Zuid-Oost Azie zonder al zijn goden, rituelen en meer gebaseerd op de basisfilosofie.
Iets wat mij daadwerkelijk enorm tegen is gevallen is de materialistische benadering van het Boeddhisme in Tibet. Het is een gigantische 'money-making business'. Toegang tot kloosters kost al snel 5 - 10 euro en als je een foto wilt maken in een tempel kost dat al snel 2 euro. Het meest absurde is het Panchen Lama klooster met zijn 25 meter hoge Boeddhabeeld dat voor het 'luttele bedrag' van 150 euro gefilmd mag worden. Verbied dan het maken van foto's gewoon en biedt voor een klein bedrag een mooi fotoboekje te koop aan. Ik heb nu geen enkele foto van het interieur van de diverse kloosters die we bezocht hebben. En als je dan flinke bedragen neertelt om een klooster te mogen bezichtigen dan heb je vaak niet echt het idee dat je heel erg welkom bent.
In Zuid-Oost Azie leven de meeste monniken een zeer pover bestaan, moeten ze 's morgens op aalmoesronde en wordt er na 12 uur niet meer gegeten. Alles in overeenstemming met de 227 wetten die de Boeddha heeft opgesteld voor monniken. In Tibet lijkt elke monnik een GSM en duur horloge te hebben. Ik heb geen enkele monnik op aalmoesronde gezien en ze eten gewoon na 12 uur. Wel zie ik ze overal grote stapels geld verzamelen die de pelgrims geofferd hebben bij de kapelletjes. Geld dat o.a. gebruikt wordt om de weelde in de tempels in stand te houden of uit te breiden terwijl de pelgrims die het doneren geen cent te makken lijken te hebben.

Mensen: Over het algemeen vond ik de Nepalezen erg aardige mensen. Ze zijn vrolijk en lachen veel. Tibetanen zijn terughoudend, mogelijk ook uit angst voor de Chinezen en het is moeilijker om contact met ze te leggen. Deels door de taalbarriere want ze spreken geen woord Engels. Ik heb wel erg te doen met het Tibetaanse volk dat leeft onder de Chinese onderdrukking. Wat betreft de Chinezen kun je het de gemiddelde Chinees niet echt kwalijk nemen. Ze worden door middel van allerlei voordeeltjes door de regering naar Tibet gelokt en verdrukken daarmee, bewust of onbewust, de oorspronkelijke bevolking van het land. En er zitten best aardige individuen tussen de Chinezen, hoewel de arrogantie en onverschilligheid er bij de meesten vanaf druipt. Iets wat ik met name moeilijk te begrijpen vind bij degenen die in de toeristische industrie werken. Je zou toch verwachten dat zij een meer servicegerichte houding zouden hebben en moeite zouden doen om op z'n minst een paar woorden Engels te leren.

Natuur: De natuur was zonder twijfel een van de hoogtepunten van de reis. En zeker de enorme tegenstellingen tussen Tibet en Nepal dragen daaraan bij. Nepal met zijn prachtige groene heuvels en valleien en Tibet met zijn enorme uitgestrekte dorre vlakten en hoge bergen. De tocht over het plateau terug naar Nepal was adembenemend en het uitzicht vanaf de Ganden Kora en het zicht op de Himalaya vanaf de Tong-La pas behoren tot de mooiste dingen die ik ooit gezien heb.

Groep: Dit was de derde keer dat ik met een groepsreis naar Azie ging. En in alle eerlijkheid was dit de minst hechte groep tot nu toe. Deels zal dat te maken hebben met het de uiteenlopende leeftijden en nationaliteiten (Belgen en Nederlanders) en deels met de persoonlijke beweegredenen van de groepsleden om het land te bezoeken. Meer dan anders had de groep enkele 'einzelgangers' die hun eigen weg gingen. En daar is niets mis mee. Een groepsreis verplicht je immers niet om alles samen te doen en je moet ruimte hebben om dingen voor jezelf te kunnen ondernemen. Net als vorig jaar vormde zich met name tijdens het tweede deel van de reis een groepje mensen die grotendeels bestond uit mensen met de 'zuiderlijke mentaliteit'; naast een mooie vakantie ook plezier en gezelligheid zoeken en samen lekker eten en een pilsje kunnen drinken. Dit clubje trok er dan ook regelmatig op uit om een restaurantje te zoeken en wat te drinken. En allemaal stuk voor stuk hele leuke mensen.
Met uitzondering van een rotte appel die zich niet aan kon passen aan de groep, en waarvoor dit hopelijk de laatste groepsreis was, was het zeker geen straf om met deze 18 mensen te moeten reizen en heb ik met diverse personen hele interessante gesprekken kunnen voeren. En natuurlijk was het hartstikke leuk om weer een keertje op reis te zijn met Ad en Mieke, die ik vorig jaar tijdens de reis in Cambodja had leren kennen.

Hoogte- en dieptepunten: De reis bestond vrijwel voornamelijk uit hoogtepunten, maar de absolute toppers waren zonder twijfel de uitzichten van de Ganden Kora, Ting-La pas en Chim-Puk heuvel, wandeling naar Everest Basecamp, de stupa's van Katmandhu en Gyantse en het Dasain festival in Bhaktapur, gefrituurde yak momo's, overnachten binnen de kloostermuren van Samye en de overweldigende natuur van Nepal en Tibet.
Dieptepunten waren de beperkte openstelling van de Potala en de Jokhang, het klooster en de bevolking van Sakya, de ervaringen met de asociale reisgenoot, de overvloed aan Dal Bhaat en saai noodle of reisgerechten in Tibet bij gezamelijke maaltijden, de money-making business van de Tibetaanse klooster, het zien van de onderdrukking van de Tibetanen en natuurlijk ziek worden tijdens de terugreis. Maar dit alles verbleekt gelukkig bij de diverse hoogtepunten. ;-)

What's next ... Vietnam ? ;-)