|
13 september 2007 - Vlucht naar Ho Chi Minh City 14 september 2007 - Ho Chi Minh City 15 september 2007 - Ho Chi Minh City 16 september 2007 - van HCMC naar de Mekong Delta (Can Tho) 17 september 2007 - Mekong Delta (Can Tho & Tiger Island) 18 september 2007 - van Tiger Island naar Ho Chi Minh City 19 september 2007 - van HCMC naar Nha Trang 20 september 2007 - Nha Trang 21 september 2007 - van Nha Trang naar Quy Nhon 22 september 2007 - van Quy Nhon naar Hoi An 23 september 2007 - Hoi An 24 september 2007 - van Hoi An naar Hué 25 september 2007 - Hué 26 september 2007 - van Hué naar Hanoi 27 september 2007 - Hanoi 28 september 2007 - Sapa (Tavan) 29 september 2007 - Sapa 30 september 2007 - Bac Ha 01 october 2007 - Hanoi 02 october 2007 - Coc Phuong National Park 03 october 2007 - Tam Coc & Hanoi 04 october 2007 - Hanoi - Kuala Lumpur 05 october 2007 - Aankomst Nederland Nawoord |
![]() |
![]() |
Het onderstaande verslag geeft een uitgebreide impresse van de reis die Judith en ik in 2007 hebben gemaakt door Vietnam. In principe is dit verhaal geschreven voor onszelf en daarmee erg gedetailleerd. Desalniettemin nodigen we iedereen geïnteresserd is uit om meer te lezen over onze belevenissen.
Rechtboven het verslag vind je een link naar het bijbehorende fotoalbum, met een 'kleine' selectie uit de 1300 foto's die we samen genomen hebben. In het verslag zelf vind je ook kleine afbeeldingen. Als je daarop klikt ga je naar de bijbehorende vergroting in het fotoalbum. Ook zijn er diverse links in het verslag te vinden naar meer uitgebreide achtergrondinformatie, meestal in de uitstekende Wikipedia website.
Voor de geïnteresseerden: we hopen dat jullie net zoveel plezier beleven aan het lezen van dit verslag als wij aan de reis zelf.
Ed & Judith October 2007
Malaysian Airlines is een prima maatschappij met vriendelijke bediening, aardig eten en goede movies-on-demand. Daar kom je een vlucht van 12 uur wel mee door. Om zoveel mogelijk te wennen aan de nieuwe tijd in Azie zette ik mijn horloge alvast op de tijd van aankomst in Kuala Lumpur, zes uur later dus. Na het kijken van Mr. Brooks (aardige film) nam ik wat melatonine en probeerde wat te slapen. Iets wat me zoals gewoonlijk in een vliegtuigstoel niet echt lukte.
Na de spullen op de kamers gelegd te hebben verzamelde de groep zich op de negende etage, waar ook het restaurant van het hotel gevestigd was. Mike gaf nog wat meer uitleg en deelde een wandelroute uit waarmee men zich die middag kon vermaken. Ho Chi Minh City, het voormalige Saigon dat zijn huidige naam kreeg na de hereniging van Noord en Zuid Vietnam na het vertrek van de Amerikanen, bestaat uit ruim 20 districten met 8 miljoen inwoners. Ons hotel was gelegen in District 1, welke nog steeds bekend staat als Saigon. Een aantal van de belangrijkste bezienswaardigheden van HCMC liggen ook in District 1, dus zijn makkelijk te voet te bezoeken. En als je geen zin had om te lopen nam je gewoon een cyclo (fietsriksja), xe om (brommertaxi) of meter taxi. Toen Mike klaar was met zijn verhaal had de broeierige warmte plaats gemaakt voor een authentieke moesson stortbui.
Juud en ik gingen eerst op zoek naar een pinautomaat om onze eerste Vietnamese 'dong' te scoren. Beide zo'n 170 euro gepind en we werden direct viervoudig miljonair!! Zo nu en dan schuilend begonnen we aan Mike's route, o.a. langs het Continental Hotel waar de film The Quiet American zich afspeelt. Oversteken bleek, net als in zoveel steden in Azië, een uitdaging. Maar de taktiek die zowel Mike als de Lonely Planet beschreven (gewoon lopen en niet inhouden of gaan rennen) werkte prima; de aanstormende menigte brommers en handjevol auto's ontweken je dan prima. Iedereen rijdt overigens op brommers, alleen taxi's en een aantal auto's van bedrijven zie je hier op straat. Er mogen maximaal drie personen op een brommer en binnen de stadsgrenzen van HCMC hoeft men geen helm te dragen. De gekste dingen worden achterop de brommertjes vervoerd, denk b.v. aan een gigantische doos met flatscreen die aan beide zijden een halve meter uitsteekt!
Na heel even verdwaald te zijn doken er gelukkig wat herkenningspunten op en kwamen we als half-verzopen katjes aan bij het War Remnants Museum. Geen enkel moment was het in ons opgekomen om een droge taxi te nemen ...
Het museum was een verzameling van zeven exposities over de Amerikaanse oorlog, waaronder foto's van omgekomen oorlogsfotografen en belangrijke historische gebeurtenissen tijdens de oorlog. Buiten stonden daarnaast een aantal vliegtuigen, tanks en kanonnen die de Amerikanen achtergelaten hadden. Het meest schokkend en indrukwekkend waren echter de afbeeldingen en modellen van martelingen van Noord-Vietnamese krijgsgevangenen, oorlogsmisdaden begaan door de Amerikanen en de genetische effecten van bombardementen met napalm en 'Agent Orange' (een ontbladeringsmiddel). Deze laatsten werden niet alleen met foto's maar ook met gruwelijk misvormde foetussen op sterk water duidelijk gemaakt. Zoals gezegd, indrukwekkend en deprimerend, maar iets dat je zeker gezien moet hebben omdat het een belangrijk deel van de geschiedenis van het land vormt. Ik moet er wel bij zeggen dat de tentoonstelling een nogal eenzijdig beeld geeft. De Viet Cong waren natuurlijk ook geen lieverdjes, maar daar zie je niets van terug in de exposities.
We liepen terug naar het Reunification Palace, ooit het gebouw van de Zuid-Vietnamese regering, tot in april 1975 de tanks van de communisten door de omheining kwamen en Ho Chi Minh de macht overnam. We besloten het paleis niet van binnen te gaan bekijken, mede omdat Judith - die tijdens de vluchten nauwelijks geslapen had - inmiddels helemaal op was. Ze nam een cyclo terug naar het hotel terwijl ik nog even een kijkje ging nemen op de overdekte Ben Thahn markt. Op zich een grappige markt vol etenswaren en snuisterijen die me deed denken aan de centrale markt van Pnohm Penh, maar toch leuker om met z'n tweetjes te zien. Dus ook ik besloot een cyclo naar het hotel te nemen. Bij aankomst probeerde de cyclo-bestuurder mij nog even te bedonderen door te beweren dat we 150.000 in plaats van 15.000 dong hadden afgesproken, maar daar trapte deze jongen niet in.
Na even een paar uurtjes te hebben gerust gingen we om 7 uur door het druilerige weer naar het restaurant waar Mike had gereserveerd. Het bleek een grote TL-verlichte hal, maar het gebrek aan sfeer werd goedgemaakt door het uitstekende eten. Eerst kregen we per 4 personen een soort barbeque in de vorm van een bloempot waar we biefstukjes op konden grillen. Daarna volgde nog vis, rijst, inktvis en de klapper van de avond: grote garnalen die nog levend in een pannetje gaar werden gestoomd. Dit laatste was iets te veel voor sommige groepsgenoten. Judith bleek het garnalenpellen na ons bezoek aan haar oom in Spanje nog steeds niet onder de knie te hebben, dus voor ik het wist zat ik voor twee personen overheerlijke garnalen kaal te plukken.
Op een gegeven moment kwamen er drie Vietnamese dames in rode jurkjes het restaurant binnenlopen. Net toen we ons afvroegen wat die meiden precies deden voor de kost (love you long time?) vroeg onze ober - die zich al eerder had ontpopt als plaatselijke lolbroek - of ik een flesje Larue bier wilde. Natuurlijk, lokaal bier wil ik altijd proberen. Al snel had ik in de gaten waar allle hilariteit onder de overs vandaan kwam. De drie dames waren promotiemeisjes voor het Larue biermerk, zoals ik ze al eerder heb gezien in Thailand voor Chang bier. Als je een flesje kocht maakte je kans op fantastische prijzen, te vinden in de boodschap onder de kroonkurk. Ik had niks gewonnen, maar toen Mike - met wie Judith en ik de hele avond al gezellig hadden zitten kletsen - zich over liet halen ook een flesje te proberen bleek hij een gratis tweede blikje gewonnen te hebben, waarmee een van de obers zich snel uit de voeten maakte.
Terug in het hotel namen we nog een afzakkertje met Hugo en Cora, verhalen over verre reizen uitwisselend en op de hotelkamer vielen we later beiden als een blok in slaap. Voor nu was het even Goodnight Saigon ...
Om 7 uur vertrokken we met de bus naar de Cu Chi tunnels, anderhalf uur ten noordwesten van HCMC. Het tunnelcomplex van Cu Chi werd in de jaren veertig door de Viet Minh aangelegd om de Franse overheersers en de Japanse bezetters te bestrijden. Later gebruikten de guerillastrijders van de Viet Cong dit 250 kilometer lange netwerk van tunnels, zich uitstrekkend van Saigon tot de grens met Cambodja, als basis voor verrassingsaanvallen op de Amerikanen. Nog steeds kun je zien je hoe vernuftig dit complex in elkaar zit, en hoe goed de toegangen verborgen zijn. De tunnels boden tijdens de oorlog met de Amerikanen onderdak aan zo'n 16.000 Vietnamezen en maakten het voor de VC mogelijk om guerilla acties op te zetten en te communiceren met dorpen die door de Amerikanen en Zuid-Vietnamezen afgesloten waren (zogenaamde 'strategic hamlets'). De tunnels strekten zich zelfs uit tot in een Amerikaanse basis! Toen de Amerikanen niet in staat bleken om deze tunnels met operaties op de grond te vernietigen weken ze uit naar aanvallen met bommen, napalm en Agent Orange, wat een bosrijk gebied 420 vierkante kilometer van de kaart veegde. Tegen die tijd hadden de tunnels hun diensten echter al vollop bewezen. Ze waren een belangrijke succesfactor in de overwinning op de Amerikanen en de planning en uitvoering van het Tet offensief op Saigon.
Onderweg naar de tunnels bezochten we eerst een rubberplantage. Iets wat ik in Cambodja al eens eerder gezien had maar wat voor de meeste mensen in de groep een nieuwe ervaring was.Het bezoek aan de Cu Chi tunnels zelf was erg interessant. De inleidende propaganda-achtige film waarbij zwart wit beelden van de VC in de tunnels werden gemengd met geluidseffecten van geweerschoten en een vrijwel onverstaanbare vertelster was eigenlijk de enige afknapper.
De tour begon met een demonstratie van een tunnelingang, op schaal gemaakt voor Westerlingen, waarbij je zelf kon proberen om het gat in te glijden en het 'dekseltje' erop te leggen. Ik vond het iets te warm voor die exercitie maar Judith maakte graag van de gelegenheid gebruik. Ze was echter te klein om er vervolgens op eigen kracht weer uit te kunnen.;-)
De inventiviteit van de VC werd meer dan duidelijk gemaakt met de vele slimme vindingen, of het nu om de gruwelijke booby traps ging of de manieren waarop ze termietenheuvels gebruiken als luchtkanalen. Ook werd uitgelegd hoe de VC 's nachts de tunnels konden verlaten om in het bos te rusten, gekleed in stukken van Amerikaanse uniformen, zodat patrouillerende helicopters hen niet zouden herkennen. Ook het maken van rijstpapier en schoenen van autobanden werd gedemonstreerd en we konden het belangrijkste dieet van de VC, sweet potatoe en jasmijnthee, proeven. Uiteindelijk was het tijd om zelf een van de tunnels in te duiken. Natuurlijk waren die op maat gemaakt voor westerlingen, maar daardoor niet minder benauwd en claustrofobisch. Na een traject van 40 meter was je blij weer buiten te zijn. Onvoorstelbaar dat de VC hier in enorme complexen van 3 etages zo lang ondergronds hebben geleefd.
Het enige nogal ongepaste deel van de tour was de mogelijkheid om op een schietbaan een M16 of AK47 af te vuren. Gelukkig voelde niemand van de groep zich geroepen om dat uit te proberen.
Eigenlijk zouden we na de tunnels een bezoek brengen aan de hoofdtempel van de Cao Dai religie. Omdat dit echter de rest van de dag zou kosten en er dan weinig tijd overbleef om HCMC te bekijken had Baobab het programma gewijzigd. We gingen echter wel een kleinere versie van de tempel bekijken in Trang Bang, wat meer op de route lag. Cao Dai is een godsdienst die in 1926 officieel werd opgericht en is een mengeling van Boeddhisme, Confucianisme, Taoïsme en Christendom. Het is een uniek geloof, dat alleen in Vietnam voorkomt. Het gaat uit van een almachtige god die de basis vormt van alle godsdiensten. Profeten als Jesus, Boeddha, Mohammed, Confusius en Moses hebben de boodschappen van deze god echter nooit volledig kunnen begrijpen. Het Cao Dai heeft natuurlijk de volledige, allesomvattende boodschap. Om 12 uur begon een kerkdienst die volgens Mike normaal druk bezocht was. Vanaf de balkons boven de zaal konden we het geheel gadeslaan, vrouwen aan de linkerzijde, mannen rechts. Het aantal aanwezigen was echter slechts 5 personen, en ik kreeg de indruk dat dit allen priesters waren. Desalniettemin leuk om eens te zien, zeker gezien de kleurrijke versiering van de kerk waarin de eerdergenoemde profeten als broeders naast elkaar afgebeeld worden. Waren hun volgelingen ook maar zo aardig voor elkaar.
Naast de Cao Dai tempel lag een klein eethuisje, welke eigendom was van aangetrouwde familie van Kim Phúc, het meisje van de wereldberoemde foto waarop ze naakt en verbrand vlucht voor een napalm aanval door de Amerikanen op Trang Bang. Terwijl we hier iets dronken werd op het TVtje in the tentje een documentaire getoond over haar leven, wat jammergenoeg niet echt overkwam omdat het geluid regelmatig overstemd werd door de langsrijdende vrachtwagens.
Om een uur of half 3 waren we terug bij het hotel en hadden we de rest van de dag 'vrij'. Helaas was het inmiddels weer gaan regenen. Judith en ik bezochten een aantal markten, waaronder de grote overdekte Ben Thanh markt, waar ik een dag eerder geweest was, en Thieves Market waar veel vers voedsel werd verkocht. Ik moet eerlijk toegeven dat ik me vaak snel verveel op markten waar tegen prikkies allerlei producten aangeboden worden. Ik heb nooit zo de neiging om iets te kopen wat ik niet echt nodig heb, zelfs niet als het enorm goedkoop is.
Ook liepen we nog naar de 'backpackerswijk' Pham Ngu Lao maar door het druilerige weer en de overvloed aan 'meer van hetzelfde' ging ook dit snel vervelen. De leukste ervaring van de middag was toch wel dat we, schuilend voor de regen, een kop Pho (Vietnamese noedelsoep) namen bij een authentieke straatverkoper. De jongen prepareerde de soep in zijn mobiele wagentje, waarna we aan een klein plastic tafeltje op lage plastic stoeltjes het goedje naar binnen mochten werken. Pittig soepie, mag ik wel zeggen. En de verkoper moest ons even helpen om de lange noedels probleemloos op een lepel te plaatsen met de stokjes.
's Avonds besloten we een tentje op te zoeken in de buurt van het hotel. We vonden een leuk overdekt terras waar we wat aten en dronken en na een laatste paar biertjes in de bar van het hotel besloten we dat het tijd was om te gaan slapen. Ook morgen zouden we weer vroeg op moeten staan.
Na nog een aantal straatjes te hebben bezocht en te hebben genoten van de kleurrijke taferelen haalde de bus ons op voor een korte rit naar de oudste pagoda van HCMC, de Giac Lam pagoda. Voor deze pagoda stond een groot wit Boeddhabeeld en even verderop waren de zuilen te zien waarin de assen van overleden monniken werden bewaard. In de hoofdhal was een grote groep nonnen bezig met een gebedsdienst. Toen de dienst voorbij was konden we vrijuit rondkijken in de hal en de glimlachende nonnen spoorden ons aan om vooral foto's te nemen. Alleen op the 'altaar' stonden al zo'n 15 verschillende beelden, waaronder een groot beeld van Amitabha (de Boeddha van het verleden), compleet met stralenkrans van neon. Ook de historische Boeddha (Sakyamuni, in Vietnam ook wel Thich Ca Buddha genoemd) en de bekende dikke lachende Boeddha ontbraken niet. Langs de muren zaten diverse beelden van Boddhisatva's en ook stond er een merkwaardige kerstboomachtige constructie waarin 49 beeldjes en 49 lampen waren bevestigd. Hier kon men kerosine offertjes brengen voor geluk of beterschap van vrienden of familie.
Toen we de gebedshal verlieten werden we door een aantal zeer vriendelijke monniken uitgenodigd op de jasmijnthee. Met het kleine beetje Engels dat ze kenden probeerden ze een praatje te maken. Een erg
leuke ervaring en kennismaking met de hartelijkheid van de Vietnamezen. Om tien uur was het bezoek voorbij en reden we zuidwaarts naar de Mekong Delta.
In de Mekong Delta splitst de Mekong rivier, die zich eerst een weg heeft gebaand door Tibet, Laos, Thailand en Cambodja zich op in een groot aantal vertakkingen. In Cambodja had ik al eerder op de bruingekleurde rivier gevaren en ik keek uit naar het 'weerzien'. De Mekong Delta wordt ook wel de rijstschuur van Vietnam genoemd en terecht; de grond is er zo vruchtbaar dat de rijstteelt voldoende is om heel Vietnam te voeden, waarna er nog voldoende overblijft voor de export: de helft van de 3,5 miljoen ton rijst die Vietnam exporteert is afkomstig uit de Mekong Delta.
Op weg naar Can Tho, onze eindbestemming voor de dag stopten we voor lunch in het stadje My Tho, bij een uitstekend restaurant gelegen aan de rivier. We kregen enkele hele bijzondere en heerlijke regionale gerechten voorgeschoteld. Zo was er olifantoorvis die met groenten in rijstpapier werd gerold, maar ook gebakken 'springrolls'. Ook bijzonder was de enorme holle rijstbal, zo groot als een voetbal, zoet van smaak en in stukken opgediend nadat de serveerster hem te lijf was gegaan met een schaar. Ook rijst, grote garnalen, zoete banaantjes en een hot pot waarin groenten en inktvis gekookt waren ontbraken niet. Werkelijk verrukkelijk allemaal!
De busreis vervolgde zich naar Can Tho, waar we de komende nacht zouden ovenachten. Na enkele uren kwamen we aan bij de opstapplaats van de veerpont, waar we uit de bus stapten en the laatste deel naar de boot te voet aflegden. De bus sloot intussen aan in de rij en zou ons later volgen. Toen de begane grond van de veerpont zich gevuld had met trucks en brommers vertrokken we naar de overkant. In Can Tho legden we het laatste stukje af in zogenaamde xe loi, een soort gemotoriseerde cyclo's waarbij je achter de bestuurder zit. Deze methode van vervoer is een tijd geleden verboden in HCMC maar nog volop aanwezig in de Mekong Delta. Met drie personen per xe loi maakten we een verfrissende rit naar het hotel, waar we een uurtje hadden om onszelf op te frissen.
's Avonds ging de hele groep mee naar de dinnerboot die Mike had voorgesteld. De smalle boot had tafeltjes van vier personen, twee langs elkaar met een gangpas ertussen. Terwijl we een relaxt tochtje over de rivier maakten werden we getrakteerd op 7 gangen aan lekkernijen. Ondertussen konden we wat beter kennismaken met onze tafelgenoten. Misschien was deze attractie wel erg toeristisch, maar daarmee niet minder leuk.
Terug aan wal ging een deel van de groep nog een paar laatste drankjes nuttigen aan de boulevard, om vervolgens moe maar voldaan terug te lopen naar het hotel. Omdat we morgen zouden overnachten bij locale bevolking moesten we een deel van de bagage apart inpakken voor deze homestay. Dat deden we maar even voor het slapengaan, want morgen zou wederom een vroege dag worden.
De bootreis vervolgde zich door smallere aftakkingen van de rivier naar de fruittuin van Mr. Muio, een grappig oud mannetje die toeristen ontvangt op zijn land. Allereerst kregen we een drankje en konden we proeven van zijn heerlijke produkten: banaantjes, jackfruit, lychees en een soort grapefruit-achtige vrucht die meer naar sinasappel smaakte. Vervolgens kwam hij aanzetten met een waterflesje gevuld met een gelige vloeistof. Dit was niet zijn ochtendurine maar 'snake wine', een sterke drank die de Vietnamezen hier drinken. Hij schonk voor iedereen die het wilde proberen een borreltje in. Het bleek verdomd sterk spul te zijn, wat flink moest worden nageblust. Groot was de verbazing toen hij daarna de grote wekfles toonde waar de drank uit was getapt. Daar zaten niet alleen een partijtje doden slangen in, maar ook een dooie vogel! Holy shit, daar hadden we net een neutje uit gedronken. We wisten al dat de slang schiijnbaar goed was voor de potentie, maar wat deed die vogel daar dan? Diep legde uit dat de vogel de natuurlijke yin-yang-achtige tegenstelling vertegenwoordigde. Slang op de grond en vogel in de lucht; zo bleef de drank zeg maar in evenwicht.
Mr. Muio gaf ons tenslotte een rondleiding door zijn tuinen, waar hij niet allen diverse vruchten verbouwde maar ook varkens en koeien hield en zelfs cactussen voor decoratieve doeleinden kweekte. Meest opmerkelijk was nog wel dat de graftombes van zijn ouders midden in de tuinen lagen. Een gewoonte in de Mekong Delta; hiermee bestempelde je niet alleen het eigendomsrecht van de grond maar konden de geesten van de voorvaderen ook over je grond waken. Opmerkelijk was ook dat - in tegenstelling tot Noord Vietnam - het eigendomsrecht van de grond na het overlijden van de ouders overgaat op de jongste zoon.
Na dit leuke bezoek keerden we over de rivier terug naar Can Tho, waar we een lekkere vers broodje namen in een restaurant aan de kade alvorens we terug in de bus stapten voor de doorreis naar onze homestay op Tiger Island.
Tiger Island (Ong Ho Island) is een rijkelijk begroeid eiland op de Hau Giang rivier met 23.000 inwoners en ligt vlakbij de stad Long Xuyen. In die stad konden we nog even wat drinken en snacks inslaan in een groot winkelcentrum met supermarkt. Knap verwarrend al die vreemde producten, maar uiteindelijk vonden we wel wat lekkere koekjes en chips die er enigszins herkenbaar uitzagen. Vervolgens haalden we onze geïmproviseerde mountainbikes op en staken we met de veerboot over naar het eiland. De bus bleef hier achter met onze grote tassen. De kleine baggage ging mee op een feits met een karretje erachter.
De groep werd verdeeld over drie homestays. Dit project is opgezet in samenwerking met de lokale boerenorganisaties en heeft twee doelen. Enerzijds om de lokale omstandigheden voor de bevolking van het dorp te verbeteren, anderzijds om buitenlanders kennis te kunnen laten maken met het dagelijks leven in Vietnam. In eerste instantie had ik verwacht dat we echt bij de familie aan tafel zouden zitten, maar het bleek meer een soort van Vietnamese bed and breakfast te zijn. Het voorste deel van de woning was omgebouwd tot een slaapzaal voor zes personen. Buiten op de veranda stonden nog twee veldbedden waar Judith en ik 's nachts op zouden slapen. Achter de slaapzaal lag het huis van de familie die uit drie of vier generaties bestond, varierend van een oud lachend vrouwtje met één tand tot een nieuwsgrierig twaalfjarig jochie genaamd Ngu (of zoiets; het geluid dat je maakt alsof je een grote splinter uit je hand trekt, of een moeilijke stoelgang hebt). Hun deel van het gebouw was een stuk eenvoudiger, met keuken/eetkamer en een aantal slaapkamers. Desalniettemin had het gezin een computer en een slim aangelegd bewateringssysteem van PVC pijpen. Achter de woning lag de wasruimte met een frans toilet en waterbak voor de wassen en doorspoelen. Buiten liepen tenslotte de kippen en kuikens vrij rond, evenals een schijnbaar ongevaarlijk en (daardoor?) mager katje.
Nadat we gesettled waren en onze spullen hadden opgeborgen in de handige kluisjes verzamelden de gasten van de drie homestays zich weer voor een twee uur lange fietstocht over het eiland, geleid door de gids van het bedrijfje dat de homestays organiseert. Dit was een bijzonder leuke activiteit omdat je een heel goed beeld kreeg van de manier waarop de mensen leefden en werkten. Zo bezochten we een houtzagerij en zagen we hoe het zaagsel uit die zagerij werd verwerkt tot wierrookstokjes. Ook bezochten we aan kleine, eenvoudige pagode die verbonden was met de legende waaraan Tiger Island zijn naam te danken heeft. Het Engels van de gids was niet zo heel erg duidelijk dus ik had wat moeite het te volgen. Het was iets met een tijger ... ;-)
Overal waar we langsreden kwamen kinderen naar buiten gerend om 'hello!' te roepen en te zwaaien. Op een gegeven moment sprong er zelfs eentje bij Hugo achterop om een stukje mee te liften. Achteraf hoorde ik dat een deel van de groep onderweg nog was achtergebleven om een wedstrijdje volleybal te spelen met de plaatselijke bevolking. Overal waar we kwamen was water; het eiland was er mee doortrokken en we staken de ene na de andere brug over. Ook de nodige rijstvelden ontbraken niet en op verschillende plaatsen langs de weg waren kleine hokjes met een stoel, spiegel en plantenspuit ingericht als kapsalon. Al met al een van de hoogtepunten van de reis tot dan toe en stukken leuker dan rondhangen in HCMC.
Terug in onze homestay grepen we ons eerste welverdiende ba ba ba biertje, waarna er die avond nog velen zouden volgen. Onze reisgenoten in de homestay waren Rinie, Ron & Trudy (man en vrouw) en Yvonne en Ina (moeder en dochter). Allen hadden we al meerdere reizen gemaakt en vijf van de zeven waren in Nepal en Tibet geweest. Voldoende gesprekstof dus voor een hele gezellige avond waarbij de lege blikjes bier zich al snel opstapelden tot boven de rand van de prullenbak en waarbij we nog getrakteerd werden op een heerlijke maaltijd vergelijkbaar met de lunch in My Tho de vorige dag.
Om half elf, toen iedereen de biertjes goed begon te voelen besloten we maar te gaan slapen. De laatste Deet werd opgespoten en de klamboes werden uitgevouwen over de prima liggende veldbedjes. Tegen het achtergrondgeluid van de klokkende gekko's tegen het plafond gleden we al snel weg naar dromenland, tevreden over een hele leuke dag.
Wassen bestaat hier uit het uitgieten van water in een bakje over je lijf. Zover wilde ik niet gaan; douchen deed ik later die dag in Saigon wel weer. Wel was het lekker om even wat water door je gezicht te gooien. De familie was inmiddels druk in de weer om het ontbijt te halen en het huis op te ruimen en ook onze reisgenoten kropen een voor een van hun veldbedjes. Niet veel later hadden we een eenvoudig maar lekker ontbijt met broodjes, jam, smeerkaas en banaantjes. Die stokbroodjes en la vache qui rit kom je overigens regelmatig tegen in Vietnam, vaak verkocht vanuit vitrines in straatstalletjes. Een duidelijke erfenis van het Frans koloniale tijdperk.
Na het ontbijt brak er een stortbui uit die niet meer ophield. Judith en ik waren niet in de gelegenheid geweest om een fatsoenlijke poncho te kopen in Chalon en ik was de wegwerpponcho's vergeten in onze daypacks te doen. Ook fietsen met een paraplu leek ons niet echt verstandig op deze fietsen en wegen. We trokken dus snel onze kleren van de vorige dag weer aan en toen we door de club van homestay 3 werden opgepikt fietsten we snel naar de veerboot. Eenmaal aan de overkant in Long Xuyen stond de bus al op ons te wachten. In de bus trokken we onze natte kleren uit en droge kleren aan, waarbij ik bij gebrek aan een tweede broek mijn Cambodjaanse krama als omslagdoek gebruikte. We zaten nog niet of Mike vertelde dat we nog een pont zouden nemen. Krama af, natte broek weer aan, bus uit, veerboot oplopen, bus weer in, broek weer uit, krama weer aan. ;-)
De terugweg naar Saigon was zoals aangekondigd wat moeizamer dan normaal aangezien er vollop aan de weg werd gewerkt. De snelheid zat er dus niet echt in en de bus werd zo nu en dan flink heen en weer geschud. Voor een ervaren Cambodja veteraan als ik was dat echter een eitje.
Onderweg werd er nog even gestopt bij een klein restaurantje en werden kleine piepschuim bakjes met de lunch tevoorschijn gehaald. Deze waren geregeld door het hotel in Long Xuyen waar we ook de fietsen hadden gehuurd en waren gevuld met rijst, groenten en reepjes varkensvlees. Het tentje waar we gingen zitten had daar schijnbaar geen probleem mee en waren blij de drankjes te kunnen verzorgen. Of wij daar zo blij mee waren was nog maar de vraag want het bier en de fris waren warm en werden geserveerd met een grote pul ijs waar je het vervolgens in moest gieten. Met ijs moet je voorzichtig zijn want je weet nooit zeker of het van gezuiverd water gemaakt is. Kortom, warm bier en cola was het enige alternatief. Toen we ons eten op hadden verzamelde de bediening de bakjes en begon de restjes rijst, vlees en groenten secuur uit te sorteren. Even was ik bang dat ze het wilden gaan verkopen aan de volgende klanten, maar gelukkig bleek het voor de hondjes te zijn.
Rond een uur of drie waren we terug bij het Saigon Hotel in HCMC waar we ook de eerste twee nachten geslapen hadden. We namen hier afscheid van Diep - die mij dankzij mijn kleurrijke T-shirts Superman was gaan noemden - aangezien de rest van de reis in midden en noord Vietnam begeleid zouden worden door een andere gids. Op de kamer konden we de spullen weer reorganiseren over onze tassen en deed Judith snel even een handwasje, wat de kamer veranderde in een geimproviseerd washok met sokken aan de kapstok, broekspijpen over de TV en handdoekjes over de schemerlamp, waar de airco dan op vol vermogen overheen blies. ;-)
Terwijl Judith ging kijken of de Gucci winkel op de hoek goedkoper was dan in Nederland (niet dus) ging ik even het eerste deel van het reisverslag en een aantal foto's online zetten. Daarna liepen we de drukte van District 1 weer in om iets te gaan eten en drinken. Het had eigenlijk de hele morgen geregend maar nu was het droog en HCMC was meteen een stuk gezelliger. Op de Le Loi boulevard waren lampionetjes opgehangen en de neonreclame zette alles in een kleurrijke gloed.
We besloten iets te eten op het dak van het Rex Hotel, waar tijdens de Amerikaanse oorlog alle journalisten verbleven. Het dakterras was groot en sfeervol en bood een uitzicht over de Le Loi boulevard. Drankjes en eten waren flink prijziger dan we 'gewend' waren maar uiteindelijk hadden we voor minder dan 25 euro gegeten en gedronken. En wat voor eten! We bestelden vier gerechten om te delen: heerlijke springrolls met garnalen, fried rice die prachtig was ingepakt in een dun gebakken eitje, opgerolde beeflapjes gevuld met cashewnoten en de absolute topper kippenreepjes in zoete limoensaus. Ik wil hier nooit meer weg! ;-)
In plaats van een dessert te nemen (wat men in Vietnam niet echt als zodanig kent) besloten we een kop koffie te drinken in een Starbucks-kopie even verderop. Onderweg kocht ik voor minder dan een euro nog even een DVD van The Quiet American. De koffie was OK maar niet enorm bijzonder voor de relatief hoge prijs en de tiramisu bleek geen drank te hebben. Het is duidelijk dat District 1 de prijs-kwaliteit verhouding nogal verlegd. Het is dan ook niet zo vreemd dat alleen de upper-class van Saigon in District 1 woont en aankopen doet.
Om toch wat slaap in te halen gingen we niet al te laat terug naar het hotel. Na het douchen, inpakken van de spullen en nogmaals schoonmaken van de wond aan mijn knie was het toch al weer half twaalf. Ach, morgen was een lange reisdag dus we zouden nog wel even wat extra rust nemen in de bus.
De belangrijkste verbinding tussen zuid en noord is ‘Highway No. 1’, een benaming die een grote snelweg doet vermoeden. In werkelijkheid is dit de weg waarover alle vervoer reist, dus ook handkarren, fietsen, tractoren en andere, soms wonderlijke, transportmiddelen. Terug op Highway 1 begonnen de eerste groene heuvels al op te doemen langs de weg. We waren duidelijk op weg naar de kuststreek van centraal Vietnam.
Rond het middaguur stopten we langs een van de dragon fruit plantages die hier veel voorkomen. De vrucht met zijn rode kleur en schubben komt oorspronkelijk uit Zuid Amerika maar groeit uitstekend in het klimaat van dit deel van Vietnam. De cactusachtige plant groeit om een betonnen paal heen en zijn vruchten kunnen 2 maal per jaar, 20 jaar lang geoogst worden. De plantage was een doolhof van dit soort planten. Ideaal voor verstoppertje, of tikkertje. ;-) Op de plantage stond een klein hutje, wat tot opluchting van velen een toilet bleek te zijn, compleet met krantenpapier om af te vegen. Voor we vertrokken werden we nog getrakteerd op enkele heerlijke stukken dragon fruit en ook het altaartje met de Lady Buddha voorin de bus kon rekenen op een partijtje van de vruchten.
Toen we de weg vervolgden doken er langs Highway 1 diverse vlakten op waar mensen her en der begraven waren. Deze maakten uiteindelijk weer plaats voor rijstvelden en de bus stopte even zodat we konden zien hoe een boer met zijn twee runderen een modderig veld omploegde. Ook waren langs de weg grote basins te zien waar zout in werd gewonnen door zeewater te laten verdampen.
Even verderop was opeens de South China Sea te zien. Op dit punt, bij Ca Na, waar Highway 1 opeens langs de kust loopt lag ook een restaurantje waar we, na een kwartiertje pootjebaden in de branding, gingen lunchen. Pikante garnalen, gebakken baby-inktvis, rijst en nog meer heerlijke vis. Het was weer genieten, ook voor de plaatselijke kat onder de tafel, die na veel miauwen toch maar wat restjes van me kreeg.
De reis vervolgde zich verder noordwaarts tot we iets na vier uur nabij de plaats Phan Rang bij de 13e eeuwse Po Klong Garai Chamtorens aankwamen, prachtig gelegen boven op een heuvel genaamd Cho'k Hala. Het Champa koninkrijk floreerde van de 2e tot de 15e eeuw in dit deel van Vietnam. Dankzij de handel met India werd het Hinduïsme door de Cham overgenomen. Dit was ook aan de torens goed te zien: boven de ingang van de hoofdtoren bevond zich een beeltenis van Shiva en waren binnen zijn stier Nandin en een bijzondere linga met beschildering van een gezicht te zien. Daarnaast leek een van de kleinere torens ook sterk op de bootvormige 'chariot' van de 5 Ratha's die ik een maand eerder nog had gezien in Mahabalipuram in India.
De Chams waren continu in oorlog met de Vietnamezen in het noorden en Khmer in het zuiden. In de 12e eeuw overwonnen ze de Khmer maar in de 17e eeuw waren ze volledig opgegaan in Vietnam. Momenteel vormen de Cham een minderheidsgroepering in Vietnam.
De bouwstijl van hun torens was opmerkelijk. Bakstenen waren opgestapeld met hars ertussen waarna er vuren onder de torens waren ontstoken om de hars te laten harden.
De torens waren daardoor beter bewaard gebleven dan het volk zelf, ondanks het feit dat door de regio veel waren gesneuveld door Amerikaanse bombardementen.
Het was nog een kleine drie uur rijden naar Nha Trang. Om zes uur was het zoals gewoonlijk al donker en de gewoonlijke namiddagbui was ook weer aanwezig. Die bui zou dit maal echter de rest van de avond aanhouden en bij vlagen erg hevig zijn. Gelukkig hebben we er niet al te veel last van gehad want tegen 8 uur reed de bus de parkeerplaats van het nieuwe hotel op en om half negen bracht hij ons nog even naar de Sailing Club. Mike had gereserveerd in het Indiase deel van de restaurant en de hele groep ging mee. Judith nam een Garnalen Korma Curry en ik een Tandoori Mixed Grill. Volgevreten liepen we tegen elf uur terug naar het hotel. Morgen zouden we weer een druk programma hebben in Nha Trang.
Aan boord waren koffie, thee en bananen beschikbaar en ondanks deze relaxte omstandigheden in het zonnetje liet ik me opnieuw overhalen om bij het tweede eiland mee het water in te gaan. Maar dan alleen met een duikbril; geen snorkel of flippers. Goede beslissing want een klein stukje van de boot waren al mooie koralen te zien en vlakbij zwommen scholen zebra-gestreepte vissen met gele rug. Erg leuk om toch nog wat moois te zien onder water. Tegen één uur keerden we terug in de haven en kregen we bij Jean-Pierre's kantoor nog een eenvoudige lunch voor we weer naar het hotel werden gebracht.
's Middags konden we op eigen gelegenheid Nha Trang verder gaan verkennen, dus Judith en ik besloten fietsjes te huren en een tocht door de stad te wagen. Op twee damesfietsjes met mandje reden we door de stad (een avontuur op zich) en over enkele chaotische rotonden naar de Long Son pagoda. Hier woonden nog zo'n 60 Boeddhistische monniken en nonnen en werden ook weeskinderen verzorgd. Judith kocht een setje postkaarten van een aardig Engels sprekende wees die alle feitjes van Nederland uit zijn hoofd had geleerd. Ook lieten we ons rondleiden door de oudere Minh, die als wees was opgegroeid in het klooster en ons een aantal keren op de foto zette, om vervolgens om 100.000 per foto te vragen. Sneaky bastard. Hij kon echter aantonen dat hij daadwerkelijk in het klooster woonde en werkte, dus ik gaf hem een wat redelijker bedrag.
In de kloosterhal was een monnik en een groepje nonnen bezig met Dharma gesprekken. In de hal stonden een aantal Boeddhabeelden maar ook een altaartje voor Avalokiteshvara, de Boeddha van Meededogen waarvan de Tibetanen geloven dat de Dailai Lama er een verschijning van is. Boven de tempelhal lag een mooie witte liggende Boeddha en helemaal boven op de heuvel achter de tempel, aan het eind van een trap met 152 treden, zat een enorme 14 meter hoge Boeddha. Aangezien dit een van de belangrijkste bezienswaardigheden van Nha Trang is hangen er veel Vietnamezen rond die een graantje mee proberen te pikken van de toeristen. Sommigen door de verkoop van souvenirs en wierrook, anderen door bedelen of andere praktijken. Zo haalden een groepje kinderen het geld dat ik in een donatiekistje bij de zittende Boeddha gestopt had er weer uit met een wierrookstokje. Toen ze in de gaten kregen dat ik het gezien had en 'not good!' had geroepen kwamen ze het terugbrengen.
Het was even zoeken maar uiteindelijk vonden we in de wirwar van straatjes de weg naar de Po Nagar Chamtorens ten noorden van de stad. Ook deze torens waren mooi bovenop een heuvel gelegen. In eerste instantie had ik overwogen om ze over te slaan aangezien we nog meer Chamtorens zouden zien bij Hoi An. Het was toch goed dat we hier geweest zijn aangezien hier - in tegenstelling tot de torens van gisteren - nog actieve verering plaatsvond. Best bijzonder omdat de torens van oorsprong Hinduïstisch zijn en beeltenissen van Shiva en andere Hindu goden bevatten.
De Po Nagar torens zijn gebouwd tussen de 7e en 12e eeuw. Van de oorspronkelijke 8 torens staan er nog 4 overeind, waarvan de grootste maar liefst 28 meter hoog is. De torens waren gevuld met wierrook en op de altaartjes was fruit achtergelaten als offer. Ook stonden in de torens linga (mannelijk geslachtsorgaan) en yoni (vrouwelijk geslachtsorgaan) beelden.
Bij de torens kwamen we Esther en Niels tegen die onderweg problemen hadden gehad met hun fietsen; een van de trappers was er spontaan afgevallen. Ze waren geholpen door een Vietnamees met wat gereedschap en vroegen of ze met ons mee terug konden fietsen. Natuurlijk, en geen slecht idee aangezien mijn fiets inmiddels ook op instorten stond; de hoek waarmee het stuur en de voorvork op fiets stonden leek me alles behalve gezond. Het was inmiddels gaan regenen met met de poncho's aan zochten we de weg langs de boulevard op voor de fietstocht zuidwaarts; een stuk sneller en minder gevaarlijk dan het doorkruisen van de stad.
Terug in het hotel ruimden we een beetje op en stopten we de schone was die de hotelbediening kwam brengen alvast in de koffers. Het grootste deel van de groep ging vandaag samen bij een restaurant eten maar Juud en ik hadden onze zinnen gezet op Crazy Kim. Deze bar/restaurant wordt gerund door een Vietnamees-Canadese dame genaamd (hoe kan het ook anders) Kim(my) Le. Kim is erg actief in Nhra Trang met een campagne tegen sex-tourisme en pedofilie. Een deel van de omzet van Crazy Kim kwam daarom ten goede aan deze 'Hands off the Kids!' campagne. Een uitstekende reden om hier eens wat te gaan eten en drinken. Het eten was lekker maar niet enorm bijzonder en sommigen van de cocktails die we tijdens happy hours wegwerkten (White Russian, Gorilla Punch, Pina Colada en Mojito) waren wat aan de waterige kant. Maar het was voor een goed doel, de sfeer was leuk en als klant mocht je ook gebruik maken van Internet in het deel van het gebouw waar ook les gegeven werd aan straatkinderen. We kochten ook meteen even een paar T-shirts om Kim's campagne verder te steunen.
Toen we terug naar het hotel besloten te gaan waren we door de cocktails in een melige stemming. Het regende en buiten stond een cyclo bestuurder die aanbood ons terug te brengen. Maar zo'n cyclo is eigenlijk bedoeld voor één persoon. Dat was voor de bestuurder echter geen probleem; ik moest er als eerste in, Judith bij mij op schoot, dekzeiltje er overheen om droog te blijven en fietsen maar. Niet veel later kwamen we aan bij het hotel, betaalden de beste man (inclusief fooi voor zijn harde gezwoeg) en gingen rechtstreeks naar bed om wat bij te tanken.
Nadat we nog wat gedronken hadden bij een tentje langs Highway 1 gingen we verder. Mr. Thao vertelde in de bus over een lokaal spel met een badmintonachtig shuttletje, over de Lotus bloem (we stopten nog ergens om een Lotusplantage te bekijken), over verwarring door de zes klanken die klinkers hebben in de Vietnamese taal (en waarvan de bijzondere accenttekens niet op een GSM zitten) en droeg tevens een gedicht voor over de Lotus en een lied over Ho Chi Minh. In het dorpje waren we aan de praat geraakt over Boeddhisme in Vietnam en hij was gefascineerd door mijn interesse en volging van de Boeddhistische leer.
Voor de lunch stopten we op Dai Lahn beach, een prachtig plekje zoals je ze op ansichtkaarten ziet: een lang breed licht strand, blauwe zee en vissersbootjes op de achtergrond. We konden een half uurtje zwemmen voordat we gingen eten, waar Judith, ik en een handjevol anderen van de groep gretig gebruik van maakten. Het eten was weer prima, een typische kustmaaltijd met veel vis.
Voor we een bergpas opklommen stopten we nog even bij een uitzichtpunt waar je uit kon kijken over het naastgelegen dorpje. De haven lag er vol met blauwe vissersbootjes en je kon ook enkele mandvormige bootjes zien waarmee de vis bij de boten werd gekocht en naar het land werd gebracht om te verhandelen op de markt.
Highway 1 klom een bergpas over met prachtig uitzicht, waarna de kust uit het zicht verdween en we een stukje landinwaarts trokken. Iets na 3 uur stopten we bij een lagune met een hele lange brug naar een daarin gelegen eiland. De brug, die volgens mij wel een kilometer lang geweest moet zijn, leek te bestaan uit bij elkaar getimmerd schroothout. Zwaar bepakte brommertjes ratelden er echter moeiteloos overheen. Aan de overkant lag een klein dorpje dat er een stuk schoner en welvarender uitzag dan het vissersdorpje van 's morgens. De huizen waren netjes en nergens zag je afvalwater lopen. Binnen de kortste keren hadden we weer een kudde kinderen achter ons aan, maar ditmaal waren ze niet alleen nieuwsgierig naar ons maar ook naar Mr. Thao. Tijdens zijn vorige tour, een week geleden, had hij een aantal kinderen schriften en pennen beloofd. Die had hij nu meegenomen en deelde hij uit onder de kinderen waar hij de namen nog vrijwel feilloos van kende. Vervolgens moesten wij onze namen of een zinnetje in de schriftjes schrijven.
In het dorp bezochten we nogmaals een school, waar de kinderen weer vlijtig bezig waren met zingen, opzeggen van het alfabet en meer. In Vietnam kan 90% van de bevolking schijnbaar lezen en schrijven, dus het basisonderwijs zal wel in orde zijn hier. Judith en ik probeerden ook nog even hoe zwaar de draagstok met grote manden van een vrouwtje waren. Dat viel nog vies tegen. Ik schat dat ze minstens 50 kilo op haar schouder gedragen moet hebben. Na ruim een uur te hebben rondgekeken liepen we terug over de brug en gingen de bus weer in voor het laatste stuk naar het hotel voor deze nacht.
Om 6 uur, precies op tijd, kwamen we aan bij het sjieke Seagull Hotel in Quy Nhon, het meest luxe hotel van de reis. Jammer dat deze plaats slechts een doorreis-overnachting is en dat er in Quy Nhon zelf weinig te beleven valt. We hoefden zelfs het hotel niet uit want Mike had een tafel gereserveerd in het hotel. Heerlijk, eens een avondje niet rondzeulen met een rugzak, smeren met Deet en teruglopen in een poncho.
Misschien was dat toch net iets teveel optimisme. Het restaurant van het Saigon hotel bleek namelijk een mooi voorbeeld van Aziatische efficiency. Simpel samengevat, je zit drie uur aan tafel voor je je eten op hebt. Na een half uur kun je eindelijk je bestelling doen. De ene helft van de bestelling arriveert dan na een uur en de andere helft een uur later. Gelukkig kon onze groep de lol ervan in zien omdat de meesten ervaren reizigers waren die al vaker in Azie waren geweest. Kortom, het verhoogde de meligheid alleen maar. Ook noemenswaardig was dat Ina enorme kramp in haar bovenbeen kreeg. Op zich erg vervelend, maar toen we haar vroegen wat ze gegeten had zei ze half kreperend van de pijn 'sKRAMPi's'. Dat typeert de meligheid van de avond, die zeker niet minder werd nadat we een paar B52 en PS. I Love You cocktails hadden genomen. Uiteindelijk waren we weer bij de laatsten die de bar verlieten, met grootse plannen voor de volgende morgen ...
Vandaag was weer een lange reisdag, ditmaal naar het sfeervolle Hoi An. In Quy Nhon stopten we nog even bij een begraafplaats van oorlogslachtoffers, waar de meeste grafstenen geen naam vertoonden omdat de gesneuvelden niet geidentificeerd hadden kunnen worden. Ook de aangrenzende normale begraafplaats werd bezocht, waar we zagen dat de Vietnamezen meer werk van een gemiddeld graf maken dan wij in Nederland. Het zijn bijna kleine monumentjes. Opvallend is overigens ook dat de Vietnamezen, in tegenstelling tot veel andere Boeddhistische volken, hun doden niet cremeren maar begraven.
Voor de lunch maakten we nog twee stops. Eerst om te zien hoe een groepje vrouwen rijst aan het oogsten waren en vervolgens in het dorpje Hoai Nhon. Dit dorp staat bekend om zijn cassavekoeken en we konden hier zien hoe ze gemaakt werden. Bij de eerste familie werden de wortels van de cassave via een bewerkelijk proces verwerkt tot poeder. Hier lagen overal in de zon manden met witte brokjes te drogen. Bij de tweede familie werd het poeder met verschillende ingredienten gemengd en werden er koeken van gebakken. Hier lagen overal matten met koeken in de zon, die na het drogen verder werden afgebakken boven een vuurtje. Het resultaat was een lekkere, knapperige cassavekoek die we allemaal konden proeven.
Na een koffiepauze reden we verder en kwamen we rond twaalf uur aan bij het strand van Sa Huynh, waar we zouden lunchen. Eerst konden we nog even het strand op om pootje te baden in de branding. Daar werden we al snel 'belaagd' door een moeder en dochter die snoep verkochten. De dochter, Hea, was erg aanhoudend, maar op een leuke manier dus ik besloot wat koekjes en snoepjes bij haar in te slaan. Ze was een stevig onderhandelaar maar ik slaagde er desalniettemin in om wat van de prijs af te pingelen. Toen ik vroeg of ik met credit card kon betalen moest ze lachen en was het ijs gebroken. Ze boodt mij zelfs aan om de spullen die ik voor 60.000 dong (minder dan 3 euro) had gekocht terug te kopen voor 20.000. ;-)
De lunch was weer uitstekend met diverse soorten vis en varkensvlees. Voor we verder doorreden stopten we nog even bij een grote vlakte waar zout 'geoogst' werd. Ondiepe bassins liet men hier vollopen met zeewater en zodra het water verdampt was werd het zout bijeengeveegd en in zakken geschept voor de verkoop. Tijdens het warme seizoen verloopt dit proces in zo'n 4 dagen. Momenteel viel er echter weinig te vegen aangezien de regen van de afgelopen dagen de bassins had bijgevuld. De dames die het zout aan het verpakken waren vonden de aandacht van die 20 toetisten echter wel grappig.
Iets na drie uur kwamen we aan in Son My (My Lai) waar zich op 16 maart 1968 een vreselijk drama had voltrokken. In de omgeving van My Lai hadden drie Amerikaanse peletons in 4 uur tijd alles wat bewoog vermoord. De GIs waren opgefokt tijdens een briefing de dag daarvoor, waarin hen was verteld dat de dorpelingen VC en VC-sympatisanten waren, verantwoordelijk voor de dood van de dienstmakkers die ze verloren hadden. Als wilden gingen ze tekeer en vermoorden vrouwen, kinderen en oude mannen. De meeste mannen waren niet in het dorp; ze waren aan het werk op hun vissersboten. Ook werden een aantal vrouwen en meisjes het slachtoffer van (groeps)verkrachtingen. Uiteindelijk werden ruim 100 Vietnamezen vermoord in My Lai en nog eens 400 bij soortgelijke afslachtingen in de omgeving. Het Amerikaanse leger probeerde de gebeurtenissen in de doofpot te stoppen. Enkele soldaten gingen echter met het verhaal naar de pers. Het schandaal resulteerde uiteindelijk in publieke protesten tegen de oorlog en de houding tegenover soldaten die terugkwamen uit Vietnam.
Op het terrein van de My Lai Memorial bekeken we eerst een Nederlandse documentaire over de afslachtingen en de Amerikaanse helicopterpiloot die dertien Vietnamezen het leven redde tijdens de massamoorden. Hierin kwamen ook enkele overlevenden aan het woord, wat resulteerde in een erg emotioneel verhaal. Vervolgens bezochten we het monument waarin taferelen uit de afslachting waren afgebeeld. Naast het monument lag een parkje waarin een reconstructie van het dorp gemaakt was zoals de Amerikanen het hadden achtergelaten, met vernielde en afgebrande huizen. Op borden stonden de namen en leeftijden vermeld van de mensen die daar gestorven waren.
Toen we naar het deel van het parkje liepen waar de sloot lag waarin de dorpelingen verzameld waren en neergeschoten werden met een machinegeweer kwam ons een oud vrouwtje tegemoet. Mr. Thao vertelde ons dat dit een van de overlevenden was; ze had onder de lijken in de sloot gelegen. Ze wees met bedroefde ogen naar de sloot. Een hartverscheurend beeld dat tranen in mijn ogen bracht.
Nadat een kort bezoekje aan het museum, waar verschillende foto's tentoongesteld waren en een grote gedenksteen alle 504 slachtoffers met naam en leeftijd noemde, vertrokken we met de bus voor het laatste stuk naar Hoi An.
In Hoi An, waar we tussen zeven en acht uur 's avonds aankwamen, liepen we een lichte vertraging op omdat kinderen op straat aan het oefenen waren voor een festival dat tijdens volle maan plaats zou vinden. Gehuld in maskers en verkleed als draken dansten ze door de straat, terwijl andere kinderen luid op trommels sloegen. Ook later die avond, toen we met Trudy, Ron, Bertus en Marijo zaten te eten in een restaurant (gespecialiseerd in vis gebakken in bananenblad) kwamen we de kinderen weer tegen. We zaten op de bovenverdieping van het restaurant en ineens stonden er twee kinderen met maskers aan onze tafels. Over de ballustrade verscheen daarnaast plotseling een happende drakenkop. De groep bleek gebruik te maken van ladders waarmee de kinderen in de drakenpakken omhoog konden klimmen. We waren enigzins verrast en overvallen maar het was wel leuk om mee te maken. Dat belooft wat voor de volle maan.
Hoi An staat ook bekend om zijn spotgoedkope kleermakers. Op weg terug naar het hotel liet Judith zich een winkeltje inlokken en na veel wikken en wegen en het secuur opmeten van haar maten besloot ze voor 16 euro twee topjes te laten maken. Ze zou ze de volgende dag op kunnen halen. We zijn benieuwd ...
Vandaag zouden we Hoi An op twee manieren gaan verkennen: per fiets en te voet. Na het ontbijt (met opmerkelijk weinig Vietnamese gerechten in dit hotel) verzamelde de groep zich en liepen we naar de kade, waar een bootje ons oppikte en naar Cam Nam island aan de overzijde van het water bracht. Daar lag het Lighthouse restaurant, wat enkele jaren geleden opgericht was door de Nederlandse ex-reisleider Hans en zijn Vietnamese vrouw Linh. Behalve eten en drinken verzorgt Hans vanuit zijn restaurant ook leuke fietstochten in de omgeving. En wij gingen zo'n tochtje maken.
Net als de tocht die ik vier jaar eerder in Chang Mai (Thailand) had gemaakt met de Belg Etiënne was dit een bijzonder leuke activiteit. Hans nam ons op fietsen en mountainbikes (ditmaal met comfortabele vering) mee door de omgeving en vertelde vollop over alle dingen die we onderweg zagen. Zo zagen we hoe op de Chinese manier vis werd gevangen door een groot net onder water te laten en er een TL buis boven te hangen, hoe mais 3 maanden voor het oogstbaar was eetbaar gemaakt kon worden door het in geimproviseerde drukpannen af te koken, hoe de Vietnamezen hun ouders begraven, hoe de lipstickfruit gebruikt wordt om lippen van de vrouwen en gewaden van monniken te kleuren, hoe op een scheepswerf hout wordt gezaagd en schepen worden gebouwd en onderhouden, hoe de rijst werd geoogst en wat waterspinazie precies was, hoe een aantal 16e eeuwse Japanse handelaren tussen de rijstvelden begraven waren en meer.
Ook bezochten we de kleurrijke Long Tuyen pagode die o.a. een bijzondere toren van lotusbloemen had, evenals een beeld van een vrouwelijke incarnatie van Avalokiteshvara; de Lady of Mercy.
De tocht voerde in bijna 5 uur over Cam Nam Island, door Hoi An (o.a. voor het koffieadresje) en dwars door de rijstvelden ten noorden van de stad. Uiteindelijk kwamen we terug bij het Lighthouse restaurant waar de bleven lunchen en konden genieten van lekkere gerechten met een Nederlands tintje (kip sate met friet!).
Tijdens de koffiestop had ik Hans uit zitten horen over zijn ervaringen met het leven in Vietnam. Hij vertelde dat het weer en de omgeving hem het meeste bevielen maar dat hij nog steeds moeite had met het feit dat je nooit echt wist waar je aan toe was. Als je iets gedaan wilt krijgen ben je erg afhankelijk van de goede wil van de persoon die je moet helpen, en eventueel de nodige steekpenningen. Ook had hij al ervaren dat de Vietnamese vriendelijkheid een beetje een façade is. Niet alleen is iedereen uiteindelijk op geld uit, maar ook de glimlach van de Vietnamees wil niet altijd zeggen dat hij vrolijk of opgewekt is. Het is meer een aangeleerd gedrag en zegt weinig over wat iemand daadwerkelijk denkt of voelt.
Hans vertelde ook dat Hoi An in oktober vaak te kampen heeft met enorme stormen, die voor overstromingen en schade zorgen. Ondanks de goede bouw van zijn eigen huis/restaurant moest hij alles thuis in plastic inpakken om waterschade te voorkomen.
De vorige avond had ik plotseling last gekregen van mijn knie. De wond van mijn val op Tiger Island was warm en tijdens het fietsen begon er pus uit te lopen. Na de fietstocht gingen we dus eerst terug naar het hotel waar ik kon douchen en Judith trekzalf en pleisters die we van Trudy gekregen hadden op de wond aanbracht. Daarna hadden we nog wat tijd over om Hoi An te verkennen. Na enig zoeken vonden we een ticketoffice waar we een 'knipkaart' konden halen. Met die kaart kon je 5 locaties bezoeken uit een reeks bezienswaardigheden in Hoi An. Naast de vrij toegankelijke lokale markt (waar we wat T-shirts kochten) bezochten Juud en ik alvast de 'Assembly Hall of the Fujian Chinese Congragation' en de Quan Cong tempel. De eerste was een mooie plek met serene rust en deed tegenwoordig (net als de tempel die we in Cholon hadden bezocht) dienst als plek voor de verering voor de beschermgodin van de zee, Thien Thau. Diverse schilderingen en beelden waren gewijd aan de godin en haar 'hulpjes'. De Chinese Quan Cong tempel was iets minder indrukwekkend, mede omdat ik geen flauw idee had wie die Quan Cong die hier vereerd werd nou eigenlijk was. ;-)
Hoewel er in Hoi An een leuke sfeer hangt die totaal ontbreekt in steden als HCMC en Nha Trang moet ik wel zeggen dat iets aan Hoi An me toch tegenvalt. Volgens Mike was het 't leukste plekje van de reis, maar eigenlijk wordt de echtheid van Hoi An een beetje verpest doordat alle straten van kruising tot kruising gevuld zijn met souvenirwinkeltjes en kleermakers. Door deze overdaad aan commercie wordt het moeilijk om de ware charme van Hoi An nog te herkennen. Ook is het een beetje stoffig in Hoi An en tijdens de drukke uren had ik last van mijn ogen en keel door de uitlaatgassen van de brommers. Gelukkig zijn bepaalde delen van Hoi An tijdens bepaalde dagen en uren verboden voor gemotoriseerd verkeer.
Op weg naar het hotel liepen we voor de tweede keer deze dag langs de kleermaker waar Judith haar topjes had laten maken. Eerder op de dag bleek een van de twee te strak te zitten en zou bijgesteld worden. Bij ons tweede bezoek bleek het juiste topje nog niet terug uit het naaiatelier, maar na een paar opgewonden telefoongesprekken door de bazin verscheen het na een paar minuten. Juud was tevreden dus we konden terug naar het hotel, net op tijd om met de groep te vertrekken voor de avondeten.
De hele groep ging mee eten in Café des Amis, waar chefkok Mr. Kim je simpelweg de keuze gaf uit vis, vlees en vegetarisch en vervolgens de meest heerlijke gerechten op tafel toverde. Na deze maaltijd besloten we terug naar het hotel te gaan. De korte nachten en het intensieve programma van deze dag begonnen hun tol te eisen.
Tweede stop was het oude Tan Ky huis, welke twee eeuwen geleden werd gebouwd door een Vietnamese handelaar en er schijnbaar nog net zo uitziet als destijds. Er waren duidelijke Chinese en Japanse invloeden en een leuke open binnenplaats die zorgde voor ventilatie, verlichting en opvang van regenwater. De laatste twee stops op de ticket die we bezochten waren een klein historisch museum (niet zo heel bijzonder) en een handicraft workshop (meer een souvenirswinkel dan een workshop, maar wel met hele mooie dingen).
Judith ging nog wat broodjes halen terwijl ik in een internetcafe even de foto's van onze camera's ging kopieren. Om 12 uur zat iedereen in de bus voor de verdere reis noordwaarts naar Hue. Na een paar goede dagen begon het weer nu te betrekken en het werd een bewolkte middag met wat lichte regenbuien. Gelukkig niets ernstigs want we hadden nog een belangrijke tussenstop bij de Marble Mountains; vijf bergen van marmer die willekeurig bij elkaar lijken te zijn geplaatst in een vlak landschap dichtbij Hoi An. Volgens de Vietnamezen vertegenwoordigen de vijf bergen allen een natuurlijk element: vuur, water, metaal, aarde en hout. We beklommen de 'waterberg' (Thuy Son) via een trap die ons met bijna 200 treden naar een uitkijkpunt bracht waar je de andere vier heuvels kon zien liggen. Een mooi gezicht, maar nog bijzonderder waren de zaken die op maar vooral in de Thuy Son berg te zien waren. Op de berg bezochten we een van de pagode's, waarin de Boeddha's van het verleden, heden en de toekomst vereerd werden. Ook stond er op de berg een mooi wit Boeddhabeeld.
Het hoogtepunt van de Marble Mountains was echter de Huyen Khong grot. Deze grot, met een natuurlijke (?) opening in het plafond had een serene rust en voelde aan als een grote cathedraal. De grot was gevuld met altaartjes en zelfs een klein tempeltje. Tijdens de Amerikaanse oorlog was Huyen Khong door de VC gebruikt als veldhospitaal.
Een tweede grot, Tang Chon, leek een kleinere kopie van de eerste, maar een gangetje achter het tempeltje onthulde een mooi staand Boeddhabeeld.
Voor we onze tocht vervolgden dronken we koffie en aten een broodje bij een tentje vlakbij China Beach. Hier werden de Amerikanen tijdens de oorlog heengevlogen voor 'rest and relaxation'. We reden door Danang, de vierde stad van Vietnam, de bergen in over de Hoi Van (zeewolk) pas. Het hoogste punt van de pas was 496 meter en hoewel het weer te bewolkt en mistig was om Danang te zien liggen hadden we verderop wel een mooi uitzicht op Lang Co Beach.
>
Om zes uur 's avonds kwamen we met druilerig weer aan in Hue. Na het inchecken vervingen we eerst het verband en de trekzalf op mijn knie en gingen daarna op zoek naar een restaurantje. We vonden een drijvend restaurant op de Perfume River waar we beiden een paar verschillende gerechten bestelden om te delen. Het was de eerste keer dat we krab bestelden en het gevecht met de notenkraker om z'n schild te breken was een hilarisch gezicht. De gegrilde vis die we hadden besteld was ook erg lekker en nadat ik Judith had laten zien hoe je 'm (zo goed en zo kwaad mogelijk) fileert bleef ze uit alle hoekjes en gaatjes van het beest stukjes vis plukken. Het enige wat haar kon stoppen was de rat die over het dek van het restaurant rende. Tijd om af te rekenen! Ditmaal gingen we echt een keertje vroeger naar bed. Om half 10 lagen we erin.
's Morgens nam Mr. Thao ons mee op een excursie naar de omgeving van Hue. Na het uitstekende ontbijt verzamelde het merendeel van de groep zich en liepen we naar de aanlegplaats van de toeristenbootjes aan de Perfume River, niet ver van waar Judith en ik gisteren gegeten hadden.
De Perfume River dankt haar naam aan de tijd voor de bouw van de stad aan de zuidelijke oever door de Fransen. De zuidelijke oever had toen enkel grote bloemenvelden waardoor het gebied bij de rivier altijd heerlijk rook.
Op een van de 'drakenboten' cq drijvende souvenirswinkels voeren we stroomopwaarts naar het westen. Onderweg kwamen we diverse lokale bootjes tegen vol met zand. Sommigen waren zo zwaar beladen dat het water continu uit de kajuit gehoost moest worden om te voorkomen dat ze zouden zinken.
Onze eerste stop was de Thien Mu Pagoda, gelegen op een heuvel uitkijkend over de rivier. Deze pagoda is erg belangrijk voor Vietnam, en niet alleen vanwege de indrukwekkende 21 meter hoge achthoekige toren met zeven etages, welke het officiële symbool van de stad Hué is geworden. De pagode was ook het centrum van het verzet tegen de anti-Boeddhistische praktijken van de regering van president Diem in de jaren 60. In 1963 reisde de monnik Thich Quang Duc naar Saigon waar hij zichzelf uit protest in brand stak. De Austin waarin hij naar Saigon reed en de foto die wereldwijd in de kranten verscheen zijn ook te bezichtigen bij deze pagoda.
Andere bijzonderheden waren het beeld van een grote schildpad (symbool voor lang leven) met een grote gedenksteen op zijn rug, een enorme 2052 kilo wegende bel en een paviljoen met de Boeddha's van het verleden, heden en de toekomst. Vier kilometer buiten Hué gelegen had deze plek een serene rust die we lang niet ervaren hebben in Vietnam. Het was ook leuk om te zien hoe de jonge leerling-monniken, met hun typerende lokken voorop hun verder kaalgeschoren hoofd, de tuinen van de pagoda aan het onderhouden waren.
Vanaf de pagode voeren we een stukje verder over de rivier en na een korte wandeling langs kraampjes waar een veelheid aan kleuren in wierrookstokjes werden gemaakt en verkocht kwamen we aan bij de graftombe van Tu Duc, keizer van 1848 tot 1867. Hué heeft negen keizers gekend en voor zeven van hen (twee waren schijnbaar onttroond) waren indrukwekkende graftombes gebouwd in de omgeving van Hue. Dit was er één van, maar de graftombe volgde het typerend ontwerp met 5 kenmerken die vrijwel elke graftombe heeft: (1) een ereplein met aan weerszijden beelden van mandarijnen, olifanten en paarden, (2) een gedenksteen met de daden van de keizer (in dit geval de grootste uit Vietnam, 20 ton wegend en met door Tu Duc zelf uitgeschreven tekst), (3) een halve maanvormige lotusvijver (in dit geval drooggevallen), (4) de daadwerkelijke graftombe en (5) een tempel ter verering van de keizer en keizerin (in dit geval buiten de daadwerkelijke graftombe gelegen). Ook stonden bij de graftombe twee obeliksen symbool voor de macht van de keizer, die overigens uiteindelijk niet hier maar op een onbekende plek begraven is. Uit angst voor grafplunderaars had de keizer opdracht gegeven zich elders te laten begraven en de 200 bedienden die van de plek wisten te laten onthoofden !
Wat de graftombe van Tu Duc zo bijzonder maakte in vergelijking met andere graftombes in de omgeving was het buitenhuis dat de keizer erbij had laten bouwen om zo nu en dan de rust buiten Hué op te kunnen zoeken. Er lag een grote vijver (waarop de keizer bootje kon varen) met een aangelegen paviljoen waar hij poezie schreef en tijd doorbracht met zijn concubines. Zoals eerder vermeld was er ook een tempel, de Hoa Khiem tempel, waar de keizer en keizerin werden vereerd en welke de keizer voor zijn dood gebruikte als buitenverblijf. Bijzonder waren hier de kleine troon van de keizerin en de nog kleinere troon van de 1,53 m lange keizer (vandaar dat de beelden van de mandarijnen op het ereplein nog kleiner waren). Ook was er een aparte hal waar de moeder van de keizer vereerd werd en een klein theatertje ter vermaak van de keizer.
Overigens ging de bouw van deze tombe gepaard met een hoop dwangarbeid, welke in 1866 tot een mislukte coup heeft geleid. Een andere 'misdaad' tegen het volk die door Tu Duc begaan werd was het ontbreken van een nakomeling, ondanks het feit dat hij 104 vrouwen en ontelbare concubines had. Waarschijnlijk was de keizer onvruchtbaar geworden toen hij als kind pokken had opgelopen.
Terug in het hotel gaf Mike ons meer informatie over het programma van de komende dagen in Noord Vietnam. Daarna hadden we de rest van de middag vrij en gingen Judith en ik naar de oude stad aan de noordoever. Deze noordoever wordt gedomineerd door de Citadel, de oude keizerlijke stad waar een muur van 10 km in omtrek, compleet met slotgracht, omheen loopt. Binnen die stad ligt weer een kleinere ommuring van 2,5 km in omtrek, waarbinnen zich de Keizerlijke Insluiting bevindt; een deel van de stad waar alle officiële bijeenkomsten en ceremonies plaatsvonden en de mandarijnen hun eigen kwartier hadden. En alsof dat nog niet genoeg was lag daarbinnen weer een omsluiting genaamd de Verboden Purperen stad, waar de keizers in vervlogen jaren verbleven. De hele bouw was redelijk ingewikkeld aangezien er meer segmenten met 'muren binnen muren' waren en het was soms een heel gepuzzel om te zien waar je precies was op de kaart. Het was echter een leuke bezienswaardigheid, mede gezien de volledige afwezigheid van verkeer binnen de keizerlijke insluiting, waardoor er een heerlijke rust hing.
Hoogtepunten waren o.a de 37 meter hoge vlaggentoren voor de indrukwekkende Ngo Mon poort (welke een centraal middenpad had die enkel door de keizer gebruikt mocht worden), het Thai Doa paleis (een ruime hal waar officiele bijeenkomsten gehouden werden) en de negen dynastie urnen (elk 2 meter hoog en opgedragen aan één van de keizers). Gelukkig had ik al eens in een documentaire van Michael Palin gezien dat er van de Verboden Purperen Stad na Amerikaanse bombardementen helemaal niets overgebleven was. Die teleurstelling bleef mij dus bespaard.
We verlieten uiteindelijk langs enkele grote vijvers het voor vekeer en commercie afgesloten deel van de citadel aan de noordzijde, waar we bij een authentiek straatrestaurantje een lekker bord noodles en rijst aten voor minder dan een euro per persoon. Door twee cyclorijders lieten we ons vervolgens afzetten bij de grote Dong Ba markt, waarna ook deze cyclo chauffeur mij weer probeerde te naaien door een andere prijs te claimen dan afgesproken. Dus niet.
Juud en ik liepen wat over de markt en vonden een apothekerstandje waar we steriele gaasjes, verband en tape kochten voor mijn knie, waarbij het Point It boekje met foto's wederom goed van pas kwam. Ook kochten we voor 3 euro twee perfecte poncho's.
Het zag er naar uit dat het zou gaan regenen, dus we namen snel twee xe om's (motorbike taxi's) terug naar het hotel, dwars door de spits van Hue. Een avontuur op zich. In het hotel hadden we nog anderhalf uur om onze koffers alvast in te pakken, te douchen en mijn knie te verzorgen. Die was al langzaam aan het helen, en ook de pijn in de lymfeklier in mijn lies begon af te nemen.
's Avonds gingen we met de hele groep eerst iets drinken bij een bar tegenover het hotel. Hier namen we met de bekende enveloppen met fooi officieel afscheid van de buschauffeur, busboy en Mr. Thao, die ons uitnodigde om 's avonds met hem mee te gaan naar een karaoke bar. Maar eerst gingen we nog even eten bij een restaurant waar Mike gereserveerd had. Enorm veel keuze maar toen mijn oog viel op een 7-gangen menu met kleine gerechtjes was ik er al snel uit. Enige nadeel was een mobiele airco die op vol vermogen recht in m'm smoelwerk stond te blazen. Mike had 'm gelukkig al snel wat minder fel afgesteld.
Na het eten ging het grootste deel van de groep dus op pad met Mr. Thao. De karaoke bar bleek een klein kamertje met karaoke machine en
leren bankstel, nog kleiner dan degene waar ik in Cambodja was geweest. De selectie van nummers was gelukkig wel breder en al snel waren we met z'n allen aan het meelallen met klassiekers als Pretty Woman, Hotel California (gezongen door ondergetekende), La Isla Bonita (duet van Judith en Ron), Hey Jude, Girls Just Wanna Have Fun, Love Me Tender en meer. Het was gezellig en het bier vloeide goed en na twaalf uur sloten we af met een gezamelijk You'll Never Walk Alone. En inderdaad, daarna liep de hele groep samen terug naar het hotel.
Omdat we hadden uitgeslapen waren we te laat voor het ontbijt in het hotel. We besloten dus buiten een restaurantje te zoeken. Het was erg warm buiten en in combinatie met de verkoudheid en het aanhoudende gezeur van cyclo chauffeurs, die in Hué wel erg opdringerig waren, werd mijn humeur en niet beter op. Gelukkig maakte het ontbijt in een restaurantje genaamd La Carambole - waar we ook Ina en Yvonne troffen - veel goed. Lekker eitje met ham en smeerkaas, broodje met jam, koffie en een heerlijke fruitshake. Geen Vietnamees eten maar wel lekker.
Na nog even mijn e-mail te hebben gecheckt in een internetcafe gingen we terug naar het hotel, waar we om 12 uur vertrokken naar de luchthaven van Hue. Het gebied tussen Hué en Hanoi was schijnbaar niet zo interesssant dus zouden we niet per bus afleggen; dat zou teveel tijd kosten. We namen definitief afscheid van Mr. Thao en na een probleemloze binnenlandse vlucht van een klein uurtje kwamen we om kwart voor drie aan in Hanoi, de hoofdstad van Vietnam.
Rond een uur of half 5, na het laatste stuk te voet af te hebben gelegd omdat de bus in die straat niet mocht komen, kwamen we aan bij het hotel. Door de motregen met de nieuwe poncho aan. Eenmaal op de hotelkamer sloeg de reisvermoeiheid en afmatting echt toe. De warmte, de vermoeidheid van de verkoudheid en wond aan mijn knie, een kamer waar je je kont nog niet in kon keren terwijl je de bagage moest opsplitsen voor de reis naar het noordwesten plus allerlei kleine dingen die tegenzaten, van zeepjes die niet uit de verpakking te krijgen waren tot het kluisje dat we niet meer openkregen ... Ik zat er even helemaal doorheen. Het zijn van die (gelukkig zeldzame) momenten op vakantie waarop je wou dat je gewoon lekker thuis op de bank zat.
We besloten dus snel even te gaan eten in een restaurant uitkijkend over het meer, waar ook traditionele muziek werd gespeeld en gezongen op bijzondere instrumenten. Er was een vreemd soort diagonale xylofoon en de zangeres gebruikte schoteltjes en gekartelde stokjes voor percussie. Rond negen uur waren we terug in het hotel na een lekkere maar relatief dure maaltijd (30 euro). Tijd om eens goed bij te slapen en morgen misschien eens een doktor op te zoeken voor m'n knie, die er na eerder herstel nu niet beter op leek te worden.
Na het ontbijt namen we op aanraden van de receptionist een taxi naar het dichtbij gelegen Viet Duc hospital. Dit was een ziekenhuis voor spoedoperaties en de Vietnamezen hingen er met de benen buiten. Het ontbreken van borden in het Engels en een duidelijke receptie maakte het moeilijk om te bepalen waar we heen moesten. Na een paar artsen te hebben aangesproken werden we uiteindelijk naar een arts gebracht die een paar woorden Engels sprak. Schijnbaar kregen we voorrang boven de lokale bewoners die rondom de arts zaten te wachten, wat toch een beetje een ongemakkelijk gevoel gaf. Na het zien van de wond zei de arts dat ik zeker een antibiotica kuur nodig had en beter naar het Internationale Franse Hospital kon gaan, waar een taxichauffeur met veel te hoge tarieven ons naartoe bracht. In Hanoi wordt je door vervoerders genaaid waar je bij staat.
Het International Hospital zag er een stuk verzorgder en professioneler uit. Het was er ook een stuk rustiger en minder chaotisch. Waarschijnlijk kan de gemiddelde Vietnamees zich dit ziekenhuis niet veroorloven. Te oordelen aan een groot bord met de namen van de artsen was zo'n kwart van de artsen ook daadwerkelijk van Franse afkomst.
Na het invullen van de nodige formulieren werden we naar de spreekkamer van een Vietnamese arts, Dr. Obry, gebracht. Zijn Engels was redelijk en na een kort vraaggesprek werden we meegenomen naar een behandelkamer. Allereerst nam hij een monster uit de recentelijk weer opgezwollen snee. Je kunt je voorstellen dat dit vrij pijnlijk was. Het monster zou op kweek gezet worden zodat ze over een paar dagen konden zien met welke bacterie ik te maken had. Daarna maakte hij de wond schoon en verbond hem opnieuw. Judith werd net als in Nepal op pad gestuurd om Betadine, verband en een antibioticakuur te halen bij de apotheek. Daarna moest een en ander financiëel nog worden afgehandeld en kregen we een vervolgafspraak voor maandag, wanneer de uitslag van de kweek bekend zou zijn.
Ik was inmiddels duizelig en doodmoe van de hele ervaring, dus we besloten terug te gaan naar het hotel en daar een kamer voor de rest van de dag te nemen. Er ontstond was chaos en verwarring (in dit toch al niet bijster strak georganiseerde hotel) omdat op verschillende kamers nog werd schoongemaakt en klusjes werden uitgevoerd. Uiteindelijk probeerde ik wat te slapen terwijl in onze badkamer iemand het toilet aan het repareren was. Ik werd weer wakker van Judith die buiten het hotel een noodlesoepje was wezen halen, welke we, gezeten op de vloer van de kleine hotelkamer, opaten. Het was uiteindelijk een uur of twee toen we besloten rustigaan nog iets van Hanoi te gaan bekijken.
Vlakbij ons hotel, dat gelegen was in het Oude Kwartier van Hanoi, ligt het Hoan Kiem meer. Een mooi groot meer met een stijlvolle rode brug naar een eilandje met de Ngoc Son tempel en even verderop in het water de Tortoise Tower. Er is een belangrijke legende verbonden aan het meer; in de 15e eeuw had keizer Le Loi uit de hemel een zwaard ontvangen waarmee hij de Chinezen uit Vietnam verdreven had. Een grote reuzenschildpad was in het meer verschenen en had het zwaard teruggenomen. Vandaar de naam van het meer, wat 'Meer van het Teruggenomen Zwaard' betekent. Opmerkelijk genoeg zitten er daadwerkelijk reuzenschildpadden in het meer. De Ngoc Son tempel bevatte een opgezet exemplaar van 2,1 meter die dood was aangespoeld in 1968, evenals foto's van recente verschijningen van de schildpadden in het meer.
Na een lekkere ijsco en fruitshake te hebben genomen op een terrasje maakte we nog een korte wandeling ... correctie, strompeling door het Oude Kwartier. Bijzonder aan dit deel van de stad is dat elk van de oorspronkelijke 36 straten werden bewoond door leden van een bepaald handelsgilde. De naam van de straat was een aanduiding van het product dat er verkocht werd. Van deze opzet is nog veel behouden gebleven, wat een bijzonder vermakelijke wandeling opleverde waarbij we o.a. straten passeerden die volledig gewijd waren aan schoenen, kruiden, juwelen, kleding, Boeddhistische altaartjes en zelfs handdoeken !
Het struinen werd uiteindelijk toch iets te zwaar, dus de laatste uurtjes voor vertrek brachten we met een hapje en drankje door ik het restaurant van het hotel, bijpratend met de andere groepsleden.
Uiteindelijk vertrokken we om 8 uur naar het station van Hanoi, waar we aan boord gingen van de nachttrein naar de omgeving van Sapa. We sliepen in een wagon met coupeetjes met 4 bedjes. Juud en ik deelden een coupe met Ron en Trudy. De nachttrein vetrok om 9:15 en zou ons in een kleine negen uur naar Lao Cai, vlakbij de grens met China brengen; een reis van zo'n 500 kilometer. Aangezien we alle vier nogal vermoeid waren zochten we al vroeg onze bedjes op. Met de hulp van wat melatonine en oordopjes en het schommelen van de trein zakte ik al snel weg in een lichte slaap.
Ook Sapa, waar we om half 8 aankwamen, was gehuld in mist en het was druilerig weer. Maar we konden wel meteen aanschuiven voor het ontbijt. Daarna was het wachten op Mr. Thang, die de trekkings van de komende dagen zou organiseren. De doktor had mij aangeraden niet te gaan lopen, dus toen hij tekst en uitleg had gegeven regelde Mike vervangend vervoer zodat ik met een Jeep naar de eindbestemming gebracht zou worden en toch mee kon doen aan de homestay bij een lokale familie.
Eerst hadden we echter nog wat tijd om Sapa zelf te gaan verkennen, nadat we onze spullen hadden opgeborgen in de kamers en de bagage voor de homestay hadden gesplits. Sapa is op zich een kleine plaats, het is eigenlijk niet meer dan een lange straat met een paar zijstraatjes en een plein. Twee bergvolken komen naar Sapa om hun handgemaakte spullen te verkopen: de Black H'mong (te herkennen aan hun indigo kleding, oorbellen, armbanden en zwarte cylindervormige mutsjes) en de Red Dzao (te herkennen aan hun afgeschoren wenkbrauwen, op het voorhoofd opgeschoren haar en daarachter vastgemaakte rode hoofddeksel). Ze komen oorspronkelijk uit China, maar zijn, net als de andere minderheden in dit gebied, door de Han-Chinezen naar het zuiden verdreven. Ze verkopen kleding, tassen, GSM-tasjes, mondharpjes, oorbellen en een veelheid aan prullaria die een normaal mens niet nodig heeft. Het zijn echter wel hele leuke, aardige mensen, die in tegenstelling tot veel Vietnamezen gewoon aardig blijven als je niets koopt. En sommigen spreken verbazingwekkend goed Engels, wat ze schijnbaar van elkaar en de toeristen leren; op school leren ze namelijk alleen Vietnamees (elk bergvolk spreekt daarnaast zijn eigen taal). Loop je door Sapa dan heb je binnen no-time een hele groep H'Mong vrouwen en meisjes achter je aan die je met hoge stemmetjes vragen of je wat van ze wilt kopen ('You buy from me!?'), of plotseliing een grote deken of overhemd openklappen als je langs ze loopt. Langs de weg zitten en de toeristen langs zien lopen met de H'mong in hun kielzog is daardoor een bijzonder leuk tijdsverdrijf.
Op het plein in Sapa werd geoefend voor een festival. Een processie van kleurig geklede mannen liep rond het plein terwijl een ander groepje oefende om met een 30 meter lange draak allerlei capriolen te maken. Ook liepen we over de markt waar van alles werd verhandeld, van oliebollen met bananenvulling (lekker maar wel vet en machtig) tot kleding en rupsen tot koekjes. Na flink onderhandelen kocht Judith voor 5 euro een fleece vest; het was toch wat frisser in Sapa dan ze had verwacht. 'Made in Vietnam', zei de verkoper. Vreemd dat er dan een label uit Mexico in zat. ;-) Ook kochten we van een paar H'Mong meisjes wat grappige kleine kussentjes met belletjes eraan. Leuk voor aan je tas of zo. Nadat we nog even ergens wat hadden gegeten en gewacht tot een regenbui over was getrokken liepen we terug naar het hotel waar Judith nog even een slaapje ging doen. Ze had inmiddels last van diarree.
Om 1 uur verzamelden we in de lobby waar iedereen ruim een half uur te laat werd opgehaald door de gids voor de trekking naar de homestay. Een grote groep poncho's trok Sapa uit. Ik ging intussen even schone kleren aantrekken en wat eten met Cora, die ook niet mee ging wandelen. Iets na 2 uur werden we opgehaald door Mr. Thang en de jeep chauffeur. Het was enorm slecht weer en we hadden medelijden met de rest van de groep die met dit weer aan het wandelen was.
Het was inmiddels droog toen we de groep hadden ingehaald en zodra we uitstapten werden we weer belaagd door H'mong en Dzoa meisjes. 'Where are you from?', 'How old are you?', 'What's your name?', 'How many brothers and sisters?', 'You married?'. Ik begon er inmiddels de lol wel van in te zien, zeker omdat deze dames erg aardig waren. Ik haalde mijn Point It boekje tevoorschijn en liet ze raden waar Nederland en Vietnam lagen op de wereldkaart. Ze hadden natuurlijk geen idee.
Toen de rest van de groep de asfaltweg verlieten en het dal introkken reden wij verder tot aan het dorpje Tavan. Hier werden Cora, Yvonne (die inmiddels ook was ingestapt) en ik afgezet bij een bruggetje en liepen we over de modderige weg naar twee herkenbare gele gebouwtjes (welke schooltjes bleken te zijn) waar de rest van de groep straks zeker langs zou lopen.
Het duurde zeker nog een uur voor ze arriveerden en intussen vermaakten we ons met ons nieuw verzamelde groepje H'mong door hun Engels te testen met mijn Point It boekje. Van de dieren kenden ze de namen van de 'cow, goat, pig, chicken, duck'. Een konijn hadden ze nog nooit gezien; 'we don't have in our village'. Kleuren waren iets moeilijker voor ze en toen ze een plaatje van een helicopter zagen vroegen ze of we die in Nederland allemaal hadden. Erg leuk allemaal en de dames moesten helemaal lachen toen ik voor 1 euro twee grote oorbellen van hen kocht en indeed.
Toen de groep langskwam liepen we verder met ze naar de homestay. Toch nog wel een stukje lopen over een modderig pad. Maar het uitzicht was prachtig, dus de lichte steken in mijn knie nam ik voor lief. We sliepen vandaag met z'n allen bij een lokale Zay familie die hun ruime huis hadden ingericht voor overnachtingen door toeristen. Iedereen had een matrasje met klamboe op zolder en er waren zelf een paar tweepersoonsbedjes op de begane grond, waar Judith en ik er eentje van konden nemen. De gids, de familie en Mike gingen aan de slag in de keuken om eten te maken, terwijl de twee kleine hondjes van de familie geduldig toekeken. Buiten was het al snel donker en iedereen begon te smeren met Deet. Er zaten veel mugjes of vliegjes; ik weet niet precies wat het waren. Ze leken in ieder geval niet te steken.
Eigenlijk zouden we buiten eten, maar toen het begon te motregenen verplaatsen we de tafels naar binnen, waar het nog erg gezellig werd. Na het eten verschenen er een paar grote flessen mineraalwater op tafel, die in werkelijkheid gevuld bleken te zijn met rijstwijn, of zoals de H'mong zeiden 'happy water'. Kleine borrelglaasjes verschenen op tafel en al snel waren er enkele flessen geleegd. Zelf nam ik maar één glaasje vanwege mijn antibiotica kuur en Judith nam er maar 2 vanwege haar darmen die overstuur waren. De stemming werd echter wel melig, maar het werd niet al te laat. Om tien uur zocht iedereen z'n matrasje met klamboe op.
Het was inmiddels prachtig weer en het begon ook al weer warm te worden. We pakten onze spullen in en rond half 9 liepen we het modderige pad weer af naar het dorp. Het uitzicht was adembenemend met prachtige heuvels, watervalletjes en rijstterassen. Ik ben gek op bergen en besef me elke keer weer wat een saai land Nederland is qua landschap. In het dorp aangekomen splitste de groep zich. Een deel ging een pittige route nemen naar Sapa, een deel (inclusief Judith) de lichtere route en Cora en ik werden per Jeep teruggebracht naar het hotel. Ik vond het wel jammer dat ik niet mee kon lopen, maar het was beter voor m'n knie om het rustig aan te doen. De antibiotica kuur leek in ieder geval aan te slaan want de pijn in mijn lies was bijna weg.
Terug in het hotel ging ik eerst op mijn gemak mijn e-mails lezen. Ik had immers lekker veel 'vrije tijd' nu. Daarna naar de kamer waar ik het verband rond mijn knie inpakte in plastic en eindelijk weer eens heerlijk ging douchen. Daarna ververste ik het verband (de wond leek al wat kleiner te zijn geworden) en besloot ik een rondje door Sapa te gaan lopen.
Ik nam een boek mee en na rustig wat te hebben gewandeld ging ik aan het grote plein zitten om wat te lezen. Al snel had ik weer drie H'mong meisjes om me heen staan die alles van me wilden weten. 'Holland, big people small country!'. Nou vooruit, bij een van de drie maar een mondharpje gekocht. Maar dat pikten de andere twee meisjes niet ... 'en wij dan?'. Toen heb ik ze maar even met z'n drietjes op de foto gezet en ze wat kleingeld gegeven.
Ik liep terug naar het hotel, waar ik nog wat las in de lobby. Hier werd je in ieder geval niet belaagd door de H'mong. ;-) Judith was iets na 1 uur terug met de rest van de wandelaars. Het was een mooie tocht maar ze was moe en .. moest nodig naar het toilet. Na even te hebben uitgerust en te hebben gedoucht was ze klaar om nog even Sapa in te lopen. We aten wat bij een restaurantje waar we wat reisgenoten troffen en liepen nog wat over de zaterdagmarkt. Een van de opmerkelijkste dingen die we zagen was de sterke drank. Schijnbaar wordt niet alleen sterke drank gemaakt met dode slangen; er stonden ook flessen met grote bijen, hagedissen en ander onidentificeerbaar gedierte !
We kochten nog wat lekkere broodjes en sloegen wat proviand in voor morgen en gingen terug naar het hotel, waar de groep zich uiteindelijk om zeven uur verzamelde om weer te gaan eten. Judith besloot niet mee te gaan omdat ze nog steeds zwaar aan de diarree was.
Voor de jarige Marijo had Mike een mooie taart geregeld in het restaurant van Mr. Thang. Toen Thang een verjaardagsliedje opzette (wat we nog nooit gehoord hadden en meer klonk als een kerstnummer) werden de kaarsjes aangestoken en ging het licht uit. Marijo mocht ze uitblazen en kreeg ook nog een mooie bos bloemen van Mr. Thang. De taart werd door de groep opgegeten als dessert. Als hoofdgerecht had ik heerlijke frietjes met knoflook en chili en gebakken eend in honing. En dat alles voor nog geen 5 euro. Ik bleef niet te lang hangen omdat ik wilde weten hoe het met Judith ging.
Toen ik terugliep naar het hotel bleek dat er 's avonds hele andere producten op straat verkocht worden. Vietnamezen en oudere H'mong vrouwtjes fluisterden me toe of ik hash of wiet wilde kopen. Dacht het niet! Judith had intussen iets proberen te eten maar dat was er met de snelheid van het licht weer onderuit gekomen. We besloten maar te gaan slapen omdat we morgen om kwart voor 6 op zouden moeten.
Het bijzondere aan de Bac Ha markt is niet alleen dat er paarden, buffels en ander vee verkocht wordt, maar ook de aanwezigheid van de Flower H'mong. In tegenstelling tot de H'mong uit Sapa draagt dit volk geen indigo kleding maar prachtig geborduurde kleding in felle, bijna fluoriserende tinten. De markt en omgeving stikt van Flower H'mong dames met hun wijde rokken. En ze zijn gek op ijsjes. Overal zie je ze op witte ijsjes sabbelen die verkocht worden door meisjes met coolboxen die de aandacht van de H'mong trekken met knijptoeters.
Een deel van de groep ging een 1,5 uur lange wandeling doen, maar ik bleef met de rest in Bac Ha om een drankje te nemen en een extra rondje over de markt te doen. Buiten de lokale markt vervalt alles overigens weer in souvenirstalletjes, en die heb ik inmiddels voldoende gezien ...
Toen iedereen weer bij elkaar was reden we met de busjes een half uurtje van Bac Ha en gingen te voet verder. Ondanks de warmte was het een leuke korte wandeling langs rijstvelden, door Tay dorpjes en zelfs een paar ondiepe bergstroompjes. Uiteindelijk kwamen we na drie kwartier aan bij een rivier (waarschijnlijk de Chay) waar bootjes op ons lagen te wachten. Hiermee maakten we nog een mooie boottocht van anderhalf uur tot aan een punt waar de rivier tussen twee steile bergwanden doorliep en we aanlegden bij een natuurlijke grot. De nieuwsgierigen konden hier de grot inklimmen en even een kijkje nemen ... naar een groot zwart gapend gat. Niemand had natuurlijk een zaklamp meegenomen. Verder zagen we tijdens de boottocht buffels en kinderen baden langs de kant en zelfs een Vietnamees die met een tasje boven het hoofd de rivier overzwom.
Uiteindelijk werden we door de bootjes afgezet bij een plek waar de minibusjes op ons stonden te wachten en kwamen we om half 7 aan in Loa Cai, waar Judith intussen vanuit Sapa ook heen was gebracht. Hier konden we in een smoezelig hotel even snel opfrissen en wat eten voor we om kwart over acht op het dichtbij gelegen station de nachtrein terug naar Hanoi namen. Omdat we om vijf uur 's morgens aan zouden komen gingen we vroeg slapen.
Nadat Juud twee uur geslapen had besloten we buiten de deur iets te eten. In Little Hanoi, even verderop de hoek nam ik een tweede ontbijtje en lukte het Juud met veel moeite een los broodje en ei te bestellen bij de serveerster. Dat ging er gelukkig goed in en ze was voldoende opgeknapt dat ze een stukje wilde lopen. Ik besloot een deel van de wandeling door het oude kwartier te nemen welke we vorige week nog niet gezien hadden. En wederom was het leuk om al die straatjes met hun eigen producten te zien, zoals leren tassen, brommerbekleding en zijde.
Het was inmiddels twaalf uur geweest en we konden de kamer weer op. Heerlijk om eindelijk weer in dat verdomd krappe hok te zijn. Ik ging de spullen weer een beetje reorganiseren en de dingen voor Halong Bay de komende twee dagen apart leggen. Juud ging nog even een uurtje liggen. Daarna besloten we nog snel even iets te gaan bekijken voordat we terug zouden moeten naar het ziekenhuis voor controle en de uitslag van de kweek. We namen een taxi naar de Temple of Literature. Ik vroeg de chauffeur wat dat zou kosten, 'no problem, meter' zei hij, wijzend op de meter. Okay, vooruit dan maar. De meter begon netjes op 13.000 dong maar toen ik even niet had gekeken stond hij plotseling al over de 50.000. Dat was absurd veel voor de afstand die we hadden afgelegd. Ik zei dat er iets niet klopte aan de meter maar de chauffeur wuifde het weg. Aangekomen bij de tempel stond de meter op 70.000, wat meer dan het dubbele van normaal tarief was. Er ontstond een ruzie omdat ik niet meer wilde betalen dan 40.000 maar uiteindelijk duwde ik hem het geld toe. Ik had geen zin in nog meer gezeik om anderhalve euro en van de zogenaamde 'blijvende glimlach' van de Vietnamezen was overigens niets meer te bekennen. Grijnzend en zwaaiend reed de rotzak weg, maar niet voordat ik zijn nummer had gefotografeerd. Eens kijken of ik dit op een of ander online forum zou kunnen melden.
De Temple of Literature (Van Mieu - Quoc Tu Giam) was een mooi stukje Vietnamese architectuur. In principe was het een langgerekt stuk grond dat was opgedeeld in vijf paviljoens of betegelde binnenplaatsen, met elkaar verbonden door poorten.
In de 11e eeuw werd hier de eerste universiteit van Vietnam, opgedragen aan Confusius, opgericht, bedoeld om de zonen van de mandarijnen te onderwijzen. Vanaf de 15e tot de 18e eeuw werden voor alle afstuderende doctoraten gedenkstenen opgericht op de ruggen van schildpadden. 82 van zulke stenen waren te bezichtigen in twee gebouwen die een van de paviljoenen flankeerden.
In het gebouw dat het 4e en 5e paviljoen van elkaar scheidde was een altaar voor Confusius te vinden en het allerachterste gebouw had twee etages: een met een altaar voor een belangrijke directeur van de universiteit uit de 14e eeuw en een met de altaren voor drie koningen (de koning die de tempel stichtte, de koning die de universiteit stichtte en de koning die de gedenkstenen liet maken). Andere bezienswaardigheden waren de klokkentoren en een toren met een enorme trommel.
Na de tempel bekeken te hebben besloten we te gaan lunchen bij KOTO, een restaurantje aan de overkant. KOTO staat voor 'Know One Teach One' en net als het Friends restaurant in Pnohm Penh in Cambodja worden hier straatkinderen - naar schatting zijn er alleen in Hanoi al 19.000 straatkinderen - opgeleid tot kok of serveerster/ober. De kinderen krijgen zo een toekomst en komen goed terecht in de horeca branche van Vietnam. In 18 maanden worden 70 studenten tussen de 16 en 22 opgeleid. Het eten was prima en de bediening de netste die ik heb gezien in Vietnam; helemaal volgens het boekje. De rekening was misschien